IKBENANDERS 0 Geplaatst 17 uur geleden Rapport Share Geplaatst 17 uur geleden (bewerkt) Ik herlees momenteel het Johannes-evangelie (Zeyde, Marie H. van der - Het is altijd geweest, het Woord). Voor de schrijver van het Evangelie naar Johannes is wat vóór de doop van Jezus heeft plaatsgevonden blijkbaar niet belangrijk; hij rept er met geen woord over. Vanaf hoofdstuk 1 schrijft hij Jezus helderderziend-achtige gaven toe (zie hiervoor het verhaal van ‘de Samaritaanse vrouw’ en de uitspraak ‘Voordat Philippus je roepen kwam, had ik je gezien onder je vijgeboom’ in het eerste hoofdstuk). Hij maakt ook herhaaldelijk duidelijk dat Jezus héél goed doordrongen/op de hoogte is van zijn missie (bv. in de de mededeling ‘Breek deze tempel af, en binnen drie dagen zal Ik hem laten herrijzen … Hij echter sprak van … zijn lichaam.’ en ‘Zolang Ik nog in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld.’, ‘Geloof jij in de Mensenzoon? … Hij die nu met je spreekt, die is het.’, het verhaal van de ware herder, ‘Daarom heeft Mij de Vader lief: omdat Ik mijn leven prijsgeef, – maar om het opnieuw te ontvangen.’). Ik weet, ook wij weten soms wel een beetje wat wij hier op aarde kunnen doen, maar toch niet op deze manier, zo intens duidelijk … Wat ook vreemd is: bij de bruiloft te Kana noemt hij Maria (zijn moeder) ‘vrouw’, maar niet 'moeder’. Wie zit er in het lichaam van Jezus na de doop? Johannes begint zijn evangelie juist dáár, bij de doop, op de proloog na. Is degene die in de proloog wordt vernoemd degene die tijdens de doop in het lichaam van Jezus is binnengedrongen (incorporatie)? Iemand waarvan Johannes de Doper zei: ‘bij Hem ben ik te gering dan dat ik zijn schoenriemen mag losmaken’. Volgens de antroposofie is tijdens de doop inderdaad het zogenaamde Christuswezen in het lichaam van Jezus geïncorpuleerd. Maar daar denken jullie vast allemaal heel anders over. Ik wil stel mijzelf hier open voor jullie zienswijzen/antwoorden omdat ik mij graag ook andere verklaringen hoor. 16 uur geleden bewerkt door IKBENANDERS Citeren Link naar bericht Deel via andere websites
Figulus 151 Geplaatst 2 uur geleden Rapport Share Geplaatst 2 uur geleden Johannes denkt hier precies de andere kant op. Voor hem is de doop van Jezus geen moment waarop er iets nieuws in Hem komt, maar een moment waarop openbaar wordt wie Hij altijd al was. Wanneer Johannes de Doper zegt: “Hij op wie gij de Geest ziet neerdalen, die is het”, bedoelt hij niet dat de Geest iemand anders in Jezus binnenbrengt, maar dat door het neerdalen van de Geest zichtbaar wordt wie Jezus in wezen is. Het gaat dus niet om: nu wordt Hij Christus, maar om: nu wordt Hij als Christus geopenbaard. Dat verklaart ook waarom de proloog niet zegt: “het Woord kwam bij Jezus”, maar: “het Woord werd vlees”. Er is geen sprake van een tijdelijke bewoning of een verwisseling van bewoners, maar van één en dezelfde identiteit: geen incorporatie, maar openbaring. Citeren Link naar bericht Deel via andere websites
Aanbevolen berichten
Join the conversation
You can post now and register later. If you have an account, sign in now to post with your account.