distazo 0 Geplaatst 6 uur geleden Rapport Share Geplaatst 6 uur geleden 29 minuten geleden zei leren_schoen: Jij was wel een homo’tje in dit leven hé. Ik weet niet of je dat gaat krijgen. Zonder dollen. Ik herhaal alleen wat GpT zegt. Zo slim ben ik zelf niet. Je kan GPT niet geloven als het gaat om Koran. Is bijzonder gecensureerd door wat zij willen wat wij geloven over Islam. In Islam, en Koran, is er geen recht als het gaat om 'na-het-leven'. Menselijke vrouwen gaan bijna allemaal naar de hel, volgens Islam. Mannen krijgen 72 maagden (huri's genoemd) en zijn de hele dag bezig met 1 ding. Maar dat zal GPT je niet snel toegeven. Citeren Link naar bericht Deel via andere websites
leren_schoen 59 Geplaatst 5 uur geleden Rapport Share Geplaatst 5 uur geleden 36 minuten geleden zei distazo: Je kan GPT niet geloven als het gaat om Koran. Is bijzonder gecensureerd door wat zij willen wat wij geloven over Islam. In Islam, en Koran, is er geen recht als het gaat om 'na-het-leven'. Menselijke vrouwen gaan bijna allemaal naar de hel, volgens Islam. Mannen krijgen 72 maagden (huri's genoemd) en zijn de hele dag bezig met 1 ding. Maar dat zal GPT je niet snel toegeven. Oké maar je kan dit nog steeds een beetje verhalen in het OT de statement omtrent vrouwen is daar dat uit duizenden mannen eentje gevonden maar uit de vrouwen niet. Citeren Link naar bericht Deel via andere websites
leren_schoen 59 Geplaatst 5 uur geleden Rapport Share Geplaatst 5 uur geleden Oke laat me het zo zeggen ik geloof echt wel dat er wat goede vrouwen zijn ik zeg alleen dat ik meer dan 10 chickies nu op snapchat heb en sommige zijn getrouwd en ze zullen allemaal na alles goed ja met jou afspreken en seks hebben buiten hun partners om. Weet je, om dan te zeggen deze gaan naar de hemel. Beetje overdreven. Citeren Link naar bericht Deel via andere websites
IKBENANDERS 4 Geplaatst 2 uur geleden Auteur Rapport Share Geplaatst 2 uur geleden (bewerkt) Graag wil ik van de gelegenheid gebruik maken om terug te keren naar het onderwerp van deze discussie. Dat wil ik doen door een matig lang citaat aan te halen van Myriam Driessen uit het door haar geschreven nawoord, zoals dat is verschenen in het boek Uit de Sterren (SteinerVertalingen, 2019). Het schetst een beknopt beeld van het leven na de dood en het is tevens de meest gedetailleerde korte beschrijving die ik tot nu toe ben tegengekomen over dit thema. Veel weten we er niet over, ook omdat de BDE’s niet echt tot óver de echte drempel gaan. Ook het werk en de inspanningen van Michael Newton zijn niet genoeg. Gelukkig is er één persoon geweest die 100 jaar geleden ‘onderzoek’ heeft kunnen doen in de geestelijke wereld (en dat is Rudolf Steiner) waardoor we nu toch iets hebben. Hierbij laat ik in het middel of wij dit ‘moeten’ geloven of niet, of dat het waar is of niet. Het is hoe dan ook iets. Citaat De heenweg De beweging van het zich verwijderen van het voorbije aardse leven begint met het ‘inslapen’ en loopt tot aan het zogenoemde ‘middernachtelijk uur’ (het keerpunt dat zich voordoet, na een lange reis in het leven na de dood; deze reis kan wel honderden aardse jaren in beslag nemen. Op het keerpunt verlangt men terug naar een bestaan op aarde). Vervolgens aanvaardt de ziel de terugtocht naar de ‘ochtend’ van een nieuw leven op aarde. … Op de heenweg verwijdt het ik-bewustzijn zich (dit uit zich in de beleving: ‘ik ben het universum’) en op de terugweg trekt het zich weer samen (hier wordt de beleving: ‘ik ben een “ik”’). … Op aarde [zijn de] wereld en de kosmos zijn buiten ons en ons ‘zelf’ ervaren we binnen de grenzen van onze huid. Na de dood gebeurt in een voortschrijdend proces het omgekeerde. Het … ik-bewustzijn verwijdt zich, het breidt zich steeds meer uit, en wat we normaal als binnen in onszelf ervaren, wordt dan buitenwereld. Ons lichaam wordt ‘buiten’ en de kosmos wordt ‘binnen’. Op de terugweg naar het volgende leven op aarde wordt dit weer langzaam omgekeerd.… De reis naar het ‘middernachtelijk uur’ doorloopt de planetensferen. Met een planeet wordt hierbij niet haar fysieke gedaante bedoeld maar haar geestelijke sfeer (dit kom je ook tegen in bv. de werken van Jozef Rudolf). Deze geestelijke sferen worden gevormd door – eigenlijk moet je zeggen: zijn – klassen van geestelijke wezens, de zogenoemde engelenhiërarchieën. Hoe verder weg een planeet, hoe hoger de hiërarchie die zich daarin uitdrukt. De reis gaat door drie geestelijke kwaliteitsgebieden: de ethersfeer, de zielesfeer en de eigenlijke geestelijke sfeer. De ethersfeer correspondeert met het ether- of levenskrachten-lichaam van de mens op aarde (de krachten die het fysieke lijf van de mens van nieuwe energie voorzien en het lichaam voor zover mogelijk herstellen. Dit gebeurt met name tijdens de slaap; het is overdag weinig tot niet actief). Ze strekt zich uit tot ongeveer de grens van de baan die de maan rond de aarde beschrijft. In engere zin is de etherwereld de levenskrachtensfeer rond de aarde binnen de dampkring. De zielesfeer begint bij de voor ons verborgen kant van de maan en wordt verder gevormd door de planeten Mercurius en Venus, die hun baan hebben tussen de aarde en de zon. Het zijn de binnenplaneten of onderzonnige (de zich onder de zon bevindende) planeten. Deze zielesfeer correspondeert met het astrale of zielelichaam van de mens (waar we de verlangens, driften etc. aantreffen). Samengevat noemt Steiner de onderzonnige sferen soms gewoon maansfeer. De eigenlijke geestelijke sfeer binnen ons planetenstelsel wordt gevormd door Mars, Jupiter en Saturnus, de buitenplaneten of bovenzonnige (de zich boven de zon bevindende) planeten. Deze geestelijke sfeer is de sfeer van het hogere Ik van de mens, waarvan ons dagelijkse ik-gevoel of ego op aarde de afschaduwing is. Samengevat worden deze bovenzonnige sferen ook wel zonnesfeer genoemd. De zon is het middelpunt en het hart van ons zonnestelsel en vormt in verscheidene opzichten een poort. Tot ergens in de zonnesfeer is de mensenziel nog enigszins herkenbaar als de persoonlijkheid (‘persoon’ komt van het Latijnse ‘persona’ = toneelmasker) die zij in het afgelopen leven was. Daarna wordt de mens tot zuiver geestelijke individualiteit. Het warme geestelijke licht van de zon doorstraalt zowel de onderzonnige als de bovenzonnige sferen. Algemeen gesproken wordt in de onderzonnige sferen het voorbije leven verwerkt en beoordeeld. De norm hierbij is wat de mens had kunnen ontwikkelen; beoordeeld wordt in hoeverre hij dat heeft gedaan. De onderzonnige sferen zijn gericht op het verleden, de bovenzonnige op de toekomst. In die hoogste sferen ontmoet de mens uiteindelijk zichzelf in het toekomstbeeld van de ware mens. Tot zover het raamwerk. Nu iets meer van de ervaringen in dit deel van de reis. De beschreven eerste etappe zou je een proloog kunnen noemen en speelt zich af in de ‘wolkensfeer’, de levenskrachtensfeer rond de aarde. Het puur materieel-fysieke lichaam is gestorven, maar het levenskrachten- of etherlichaam is dat nog niet. Het heeft in de regel tweeënhalve à drieënhalve dag nodig om zich van het fysieke lichaam los te maken. Omdat dit etherlichaam de drager is van alle herinneringsbeelden van het voorbije leven en niet meer gehinderd wordt door het fysieke lichaam, zijn deze objectieve beelden nu vrij toegankelijk voor het ik-bewustzijn. Ze vormen het levenspanorama of levenstableau direct na de dood. De mens vormt zich in deze fase een eerste objectief, bovenpersoonlijk moreel oordeel over het geleefde leven. De volgende fase speelt zich af in het wijdere deel van de ethersfeer, dat zich uitstrekt tot ongeveer de grens van de baan die de maan rond de aarde beschrijft. De ziel ziet nu hoe het etherlichaam zich langzaam oplost in de algemene ethersfeer. Het dagelijkse ik-bewustzijn maakt plaats voor het morele, al kosmisch getinte ‘nachtbewustzijn’ van het voorbije aardse leven. De ziel is in de omstulping wijder geworden en begint het geleefde leven te bezien vanuit de standpunten van al die mensen die haar levensweg gekruist hebben. Je beleeft nu wat de andere mensen wérkelijk over jou gedacht en aan jou beleefd hebben. Dit gebeurt in achterwaartse richting. Ook deze belevenissen worden moreel beoordeeld – een pijnlijk proces. Deze fase wordt ‘kamaloka’ genoemd en duurt ongeveer een derde deel van de tijd van het voorbije leven, namelijk de tijd die een mens slapend heeft doorgebracht. Een extract van zijn levensdaden had de mens al meegenomen uit de terugblik na de dood. Tegen het einde van de kamaloka-tijd is dat ‘zondenpakketje’ aangevuld met het substantiëlere morele extract van het verwerkte leven. Dit alles schept in de mens de drang om goed te maken wat hij misdaan of verzuimd heeft. Daarnaast moet de ziel in deze fase ook leren alle begeerten los te laten die haar nog doen terugverlangen naar het leven in een fysiek lichaam. Naarmate het etherlichaam oplost, wordt de mens omkleed met een geestelijk zielelichaam, dat uit zijn morele kwaliteiten is gevormd. Wat moreel goed was, geeft dit lichaam een ‘mooie’, het moreel slechte een ‘onaangename uitstraling’. In ruime zin worden ook de Mercuriusen de Venussfeer nog tot het kamaloka gerekend, omdat het ook hier nog om verwerking en beoordeling van het voorbije leven gaat. Voor zijn welbevinden in deze sferen is de mens afhankelijk van wat hij op aarde heeft ontwikkeld. Heeft hij in de morele zin van het woord niet genoeg respect, empathie en tolerantie opgebracht in het aardse sociale verkeer, dan kan zijn nog verder uitgestroomde ik-bewustzijn moeilijk contact maken met de wezens van de Mercuriussfeer en met de andere zielen, en dus ook weinig van hen leren. Op dezelfde wijze wordt in de Venussfeer de religieuze zielestemming bepalend. Het gaat hier niet alleen om respect, maar ook om de liefde voor ‘het andere’. Het verblijf in de zonnesfeer duurt in verhouding tot de tijd in de andere planetensferen het langst. Hier wordt om te beginnen het morele zielelichaam dat is opgebouwd in de onderzonnige tijd, afgelegd. Alles wat nog omgevormd moet worden, waar nog aan gewerkt moet worden, wordt als het ware verpakt en als ‘pakje’ aan bepaalde engelwezens toevertrouwd en bewaard in de ethersfeer. Wat van het gezuiverde morele zielelichaam overblijft, wordt ‘brandstof’, broodnodig voedsel voor het heelal, voor de loop van de wereld. In de zonnesfeer is er nog maar weinig wat de mens aan zijn persoonlijke leven bindt. Hier is hij volledig ziel onder alle zielen, ongeacht hun sociale of religieuze achtergrond. Zijn ik-bewustzijn omvat nu letterlijk de hele wereld. Tot een bewuste verbinding met alle andere wezens, ook de geestelijke wezens van de zon, komt hij echter pas als hij op aarde actief zijn eigen diepste, hoogste wezen heeft gezocht. Dat wezen is de Christus in ons, aldus Rudolf Steiner. Christus, die in Jezus mens is geworden en voor de gehele mensheid, voor ieder mens, de dood heeft overwonnen en daarmee de weg naar vergeestelijking in de toekomst weer vrijgemaakt heeft. In die zin staat het Christuswezen boven alle religies en ook boven het christendom. Genadevol (voorlopig) verlost van alle ballast uit het verleden, betreedt het Ik-wezen van de mens nu de bovenzonnige sferen, waarin het zich nog verder uitbreidt. De mens gaat helemaal op in de hoogste hiërarchische engelenwezens, waardoor hij nu deelneemt aan hun werk. Hun opdracht is het werken aan de oerbeelden van al wat is. Dit betekent dat hij via deze wezens van de hoogste regionen meebouwt aan zijn eigen toekomst. In deze sferen neemt de mens waar met ‘zintuigen’ die in die hoogste wezens liggen. … In de sfeer van Mars aanschouwt het Ik-wezen van de mens het oerbeeld van het fysieke lichaam. Maar dat lichaam is, doordat het wezen van de mens nu volledig is omgestulpt, de hele kosmos. In dit beeld zijn ook de oerbeelden van al het fysieke leven op aarde vervat. Ze vormen samen één beeld, dat van een onvoorstelbare grootsheid en schoonheid is. Dit oerbeeld is tegelijk algemeen menselijk en individueel. Mars is het gebied van het scheppende Wereldwoord. In de sfeer van Jupiter beleeft de mens de scheppende gedachten die de hoogste hiërarchieën ontvangen in een volkomen klankharmonie. In de sfeer van Saturnus ten slotte, werkt de mens in en met de scheppende liefdekrachten van de Saturnuswezens, die vanaf het prille begin van de menselijke ontwikkeling werkzaam waren. Deze hoge liefdewezens zijn tevens de dragers van het geheugen van de kosmos, dus ook van de aarde en van het karma van de individuele mens zoals die zich door vele levens heen heeft ontwikkeld. De terugweg De mens is nu helemaal kosmos geworden en heeft het ‘middernachtelijk uur’ bereikt. De kosmos wil nu weer mens worden. Het is uiteindelijk de goddelijke liefde die ervoor zorgt dat in de mens weer het verlangen ontstaat naar een eigen zelfbewustzijn. Daarmee keert zijn blik zich naar de aarde: zijn individuele, vrije werkplek. De krachten van de liefde op aarde zijn een herinnering aan deze hoogste liefde. Uit de bovenzonnige gebieden neemt de mens in de eerste plaats mee wat de hele ontwikkeling van aarde en mensheid vooruit moet helpen. Maar hij krijgt hier ook de geestelijke kiem mee van zijn toekomstig lichaam, waaraan hij dus zelf heeft meegebouwd. Rudolf Steiner spreekt hier over een bevruchting van het menselijk oerbeeld door het individuele karma, waardoor de geestelijke kiem van het toekomstige lichaam gevormd wordt. Deze geestkiem omvat o.a. de metamorfose van romp en ledematen van het vorige leven naar het hoofd van het toekomstige lichaam. Omdat de bovenzonnige sferen vooral toekomstgericht zijn, wordt het karma dat hier geweven wordt, ‘zonnekarma’ genoemd, dit in tegenstelling tot het zogenoemde ‘maankarma’, dat het resultaat is van de vorige levens. Wat niet betekent dat het dan allemaal rozengeur en maneschijn wordt. Een handicap bijvoorbeeld kan de karmische consequentie zijn van een morele fout uit een vorig leven, maar kan ook een ‘zonne-karmische’ keuze zijn, om hierdoor iets te ontwikkelen ten dienste van een opdracht in een volgend leven. In de Saturnussfeer ontvangt de mens in een eerste pril zelfgevoel het vermogen van een toekomstig persoonlijk geheugen. In de Jupitersfeer wordt hem de aanleg van het toekomstige denk vermogen geschonken, in de Marssfeer de basis voor toekomstige daadkracht en voor het spraaken taalvermogen. De zonnefase, die net als op de heenweg het langst duurt, vormt opnieuw een poort, maar nu naar de onderzonnige sferen. Om te beginnen trekt het uitgedijde ik-bewustzijn zich verder samen. In de mens ontstaat een gevoel van zich afzonderen van de wereld, op dat ogenblik nog de hele kosmos. Tegelijk vormt zich de oerkiem van het menselijk hart. De mens is nu niet meer geest onder geesten, maar wordt langzamerhand ziel onder geestelijke wezens, die nu voor zijn waarneming veel minder gedifferentieerd en steeds meer buiten hem zijn. Hij wordt nu ‘zielegeest’, met een ik en een nieuw astraal lichaam. De drang naar een volgend leven op aarde wordt steeds groter en concreter. Al in de zonnesfeer verbindt de ziel zich met een bepaalde erfelijkheidsstroom. De ziel heeft wel 33 generaties vóór de conceptie in haar blikveld en is mede betrokken bij het samenbrengen van al die ouderparen. Op de terugweg naar de aarde weeft het Ik, begeleid door hoge hiërarchische wezens, niet alleen karmisch bepaalde structuren in de geestelijke kiem, maar zorgt het er ook voor dat bepaalde eigenschappen, begaafdheden, zwakheden en beperkingen in deze generatiestroom ontwikkeld kunnen worden. Ze zullen tot uiting komen in de fysieke en ook psychische eigenschappen die zijn toekomstige ouders hem kunnen bieden. Omwille van zijn karma wordt de mens nu ook steeds meer aangetrokken tot de zielen met wie hij in zijn komende leven iets uit te werken heeft. Er worden afspraken gemaakt en impulsen voorbereid. Dit alles is niet eenvoudig. Doordat het ik-bewustzijn zich samentrekt, ontstaat ook een eigen verhouding tot wat van het toekomstige leven zichtbaar wordt. Daar zitten ook zeer moeilijke omstandigheden bij. Rudolf Steiner beschrijft dat het voor de ziel soms een ware innerlijke strijd is om er toch ja tegen te zeggen. Met het nieuw aangelegde astrale lichaam trekt de ziel nu door de onderzonnige gebieden. In de Venussfeer worden krachten opgenomen die te maken hebben met de liefde in de brede zin van het woord; van erotisch getinte liefde tot liefde voor ‘het andere’. Onder de zielen worden nu ook groepen gevormd op basis van karmisch bepaalde sympathieën en antipathieën. De Mercuriussfeer schenkt de mens gezondheidskrachten, die al rechtstreeks met het fysieke en sociale leven op aarde te maken hebben. In deze sfeer zijn ze nog verbonden met hogere inzichten. Op aarde zullen ze zich afspiegelen in rationele, verstandelijk gevormde inzichten. Richting maansfeer wordt eerst bekeken of bij de komende incarnatie een vrouwelijk of een mannelijk lichaam het meest passend is om de gestelde doelen te bereiken. Dit besluit wordt dus pas genomen als zo ongeveer alle karmisch bepaalde facetten van het komende leven in beeld zijn. Daarna wordt in de ethersfeer rondom de aarde het kosmische bewustzijn gedempt, en de karmische impulsen zakken weg in een diep onbewuste wilssfeer. Ze worden tot een soort van karmisch instinct. De mens steekt hier, zoals de Grieken het uitdrukten, de Lethe over, de rivier van vergetelheid. Dit vergeten is noodzakelijk omdat hij de opdracht heeft in zijn opeenvolgende aardse levens een vrij mens te worden. Vrij wordt hij pas als hij het goddelijke in hemzelf bewust heroverd heeft en dit dus tot een zelfverworven bezit is geworden. Tijdens de hele terugreis naar de aarde is de geestelijke kiem van het toekomstige fysieke lichaam als een grote schat met de mens meegegaan. Van kosmisch heel wijd is deze kiem nu weer samengetrokken en klein geworden. Alhoewel algemeen menselijk, is hij toch ook steeds individueler geworden naarmate de karmische aspecten erin werden opgenomen. Op het moment van de conceptie verliest de ziel deze ‘schat’, want de geestkiem verbindt zich meteen met de bevruchte eicel. Door de bevruchting was kortstondig een chaotiseringsproces ontstaan, waardoor de bevruchte eicel zich kon openen voor de kosmos en de ‘blauwdruk’ van het algemeen menselijke en toch individuele lichaam kon ontvangen. Deze blauwdruk wordt nu verbonden met de erfelijke kwaliteiten van ouders en voorouders. Het verlies van de geestkiem bezorgt de ziel echter een sterk gevoel van ontbering. Dit gevoel leidt ertoe dat uit de ethersfeer een nieuw etherlichaam wordt aangetrokken. In dat nieuwe etherlichaam wordt nu het ‘pakje’ dat de ziel op de heenreis naar het middernachtelijk uur in de maansfeer – hier in de meest ruime zin de onderzonnige sferen – heeft moeten achterlaten, weer ingebouwd. Alle verzuimen en tekortkomingen die moesten worden afgestroopt om verder te kunnen op de kosmische weg, worden weer ingebouwd, zowel in het ik als in het astrale lichaam en in het etherlichaam. Ze zullen zich uitdrukken in handicaps, moeilijkheden van velerlei aard en karakterproblemen. Dit karma is onderdeel van het zogenoemde ‘maankarma’, dat het resultaat is van de vorige levens. Omstreeks de 17e à 21e dag verbindt het nieuwe etherlichaam zich met het kleine bolletje cellen in de moederschoot. Hierdoor komt de eigenlijke embryonale ontwikkeling op gang en wordt in de 10 maanmaanden van de zwangerschap het persoonlijke lichaam opgebouwd. Het is pas bij de geboorte dat het astrale lichaam en het ik zich met het etherlichaam en het fysieke lichaam zullen verenigen. Tot dan toe hebben ze van buitenaf op het kind in de moederschoot ingewerkt. Op het ogenblik dat de mens zich met het nieuwe etherlichaam verenigt, krijgt hij een vooruitblik op zijn komende leven. Deze vooruitblik bevat de persoonlijke rode draden van het komende leven, maar ook de algemene leef en omgevingscondities die horen bij de cultuur van het land of volk. Dit is de tegenhanger van de terugblik die de mens heeft onmiddellijk na zijn fysieke sterven. In tegenstelling tot de terugblik, die bovenpersoonlijk en objectief van aard was, wordt de ziel door deze vooruitblik persoonlijk diep geraakt. Soms is een mensenziel zo geschokt, dat ze afziet van het komende leven of niet volledig durft te incarneren. Dit kan tot constitutionele ziektetoestanden leiden. Gelukkig heeft ieder mens een eigen beschermengel, die hem door de levens heen begeleidt. 2 uur geleden bewerkt door IKBENANDERS Citeren Link naar bericht Deel via andere websites
IKBENANDERS 4 Geplaatst 1 uur geleden Auteur Rapport Share Geplaatst 1 uur geleden (bewerkt) 1 uur geleden zei IKBENANDERS: Graag wil ik van de gelegenheid gebruik maken om terug te keren naar het onderwerp van deze discussie. Dat wil ik doen door een matig lang citaat aan te halen van Myriam Driessen uit het door haar geschreven nawoord, zoals dat is verschenen in het boek Uit de Sterren (SteinerVertalingen, 2019). Het schetst een beknopt beeld van het leven na de dood en het is tevens de meest gedetailleerde korte beschrijving die ik tot nu toe ben tegengekomen over dit thema. Veel weten we er niet over, ook omdat de BDE’s niet echt tot óver de echte drempel gaan. Ook het werk en de inspanningen van Michael Newton zijn niet genoeg. Gelukkig is er één persoon geweest die 100 jaar geleden ‘onderzoek’ heeft kunnen doen in de geestelijke wereld (en dat is Rudolf Steiner) waardoor we nu toch iets hebben. Hierbij laat ik in het middel of wij dit ‘moeten’ geloven of niet, of dat het waar is of niet. Het is hoe dan ook iets. Mocht je hier meer over willen weten, ik ben nóg een boekje tegengekomen – ‘bij toeval’ – dat momenteel in herdruk is. Het heet De levensweg na de dood, het bevat 78p., is geschreven door Antoon Vermeulen, en binnenkort (weer) te koop, o.a. bij bol.com: https://www.bol.com/nl/nl/p/de-levensweg-na-de-dood/9200000103539621/?cid=1777234335151-1735704568761&bltgh=a2a32b1e-9e83-43a7-9db5-2cf8c8cbbaf9.wishlist_details_page_products.WishlistDetailProductCardItem_0.ProductTitle. 1 uur geleden bewerkt door IKBENANDERS Citeren Link naar bericht Deel via andere websites
Aanbevolen berichten
Join the conversation
You can post now and register later. If you have an account, sign in now to post with your account.