Spring naar bijdragen

Islamitisch-christelijke dispuut (uit het levensverhaal van Cyrillus en Methodius)


Aanbevolen berichten

Hierbij wil ik onder jullie aandacht brengen het levensverhaal van de apostelgelijken Cyrillus en Methodius. Het meest interessante voor mij hier is hun geloofsgesprekken met moslims en joden (van de Khazaarse kaganaat) en ook hun andere interculturele betrekkingen. Cyrillus en Methodius brachten de geletterdheid en daarmee ook het christendom naar de Slavische volken van Oost-Europa, maar ze worden ook als beschermheiligen van Europa gezien. 

De religieuze debatten tussen moslims en christenen zijn tegenwoordig beschikbaar op YouTube. Het zijn met name de debatten van de christelijke filosoof en apologeet David Wood (in het Engels). Meestal wordt er met moslims gedebatteerd over de Heilige Drie-eenheid, omdat het blijft een grote struikelblok voor moslims, dat hun de aanleiding geeft om het christendom belachelijk te maken. 1000 jaar geleden, in de 9de eeuw was het niet anders. Het debat van Cyrillus (toen Constantijn genoemd) is misschien het eerste geloofsgesprek van de polemieke aard tussen moslims en christenen dat opgetekend werd (gedeeltelijk). Later wil ik hun gesprek met joden en de rest van hun levensverhaal presenteren. Het wordt te veel voor jullie aandachtsvermogen als ik dit in één keer doe.

Maar voor nu het eerste deel: debat met de iconoclasten en moslims.

Cyril_14February.jpg

Ten tijde van de iconoclastische Griekse koningen Leo de Armeniër[1], Michaël Traulos of Psellos[2], en daarna de zoon van Michaël - Theophilus[3], woonde in de stad Thessaloniki, in Macedonië, een nobele en rijke edelman met de titel van een soldaat-centurion genaamd Leo. Zijn vrouw heette Maria. Hij leefde vroom en vervulde alle geboden van God, zoals Job dat ooit deed. Ze hadden zeven zonen: de oudste heette Methodius en de jongste was Constantijn, in het kloosterleven Cyrillus.

Heilige Methodius diende eerst als militair, net als zijn vader. De koning, die hem als een goede krijger had leren kennen, benoemde hem tot gouverneur in een Slavisch vorstendom, Slavinië, dat onder de Griekse rijk stond. Dit gebeurde naar goeddunken van God en zodat Methodius de Slavische taal beter kon leren als een toekomstige geestelijke leraar en herder van de Slaven.

Na ongeveer 10 jaar in de rang van officier te hebben doorgebracht en de ijdelheid van het wereldse leven te hebben begrepen, begon Methodius te verlangen om al het aardse op te geven en zijn gedachten op het hemelse te richten. Bovendien begon de iconoclastische koning Theophilus in die tijd een vervolging tegen de heilige iconen. Deze vervolging toonde aan Methodius nog meer de ijdelheid van het wereldse leven, en, na de militaire dienst en alle geneugten van de wereld te hebben verlaten, ging hij naar het klooster op de berg Olympus[4], waar hij met grote onderdanigheid en gehoorzaamheid de kloostergeloften vervulde, terwijl hij de heilige boeken bestudeerde.

Constantijn

De zalige Constantijn, de jongste van de zonen van Leo, toonde al in de kindertijd iets wonderbaarlijks. Toen zijn moeder hem bij de geboorte aan de verpleegster gaf om hem te voeden, wilde hij zich niet aan andermans melk te voeden, maar alleen aan de melk van zijn moeder. Met de geboorte van Constantijn beloofden de  goede ouders dat ze als broer en zus zouden leven, en zo leefden ze 14 jaar lang tot aan hun dood. Voordat haar man stierf, huilde Maria en zei:

- Ik betreur niets anders dan Constantijn: hoe zal hij zichzelf in het leven houden?

- Geloof me, vrouw, - antwoordde Leo, - ik hoop op God dat de Here God van hem zo'n vader en bouwer zal maken, dat hij alle christenen zal hoeden.

Toen hij zeven jaar oud was, had Constantijn een droom, die hij aan zijn ouders vertelde.

-        Ik droomde, - zei Constantijn, - dat de gouverneur alle meisjes van de stad bij elkaar had geroepen en zei me: kies er één als bruid. Ik onderzocht en koos de mooiste van hen allen, met een stralend gezicht en versierd met veel gouden dingen en edelstenen, genaamd Sofia.

De ouders, hebbend begrepen dat de Heer aan de jongeling Sophia (Wijsheid) schenkt, d.w.z. de wijsheid van God, verheugden zich in de geest en met ijver begonnen ze Constantijn te onderwijzen niet alleen in het lezen van boeken, maar ook de goddelijke moraal - geestelijke wijsheid.

-        Mijn zoon, - zeiden ze tegen Constantijn in de woorden van Salomo, - neem mijn geboden in acht en leef, en neem mijn onderricht in acht als je oogappel. Bind ze aan je vingers, schrijf ze op de tafel van je hart. Zeg tegen de wijsheid: Jij bent mijn zuster, en noem het inzicht je bloedverwant,' (Spreuken 7:1). Wijsheid schijnt helderder dan de zon, en als je haar als je helpster hebt, zal ze je van veel kwaad behoeden.

Ouders stuurden Constantijn voor onderwijs. Hij onderscheidde zich door een goed geheugen en verstand, zodat hij beter presteerde dan al zijn leeftijdsgenoten. Het volgende incident is hem overkomen:

Als zoon van rijke ouders ging Constantijn ooit met zijn kameraden op een valkenjacht. Zodra Constantijn zijn valk losliet, stond er een sterke wind op, die de valk wegvoerde naar niemand weet waar. Constantijn rouwde zo erg om de valk dat hij twee dagen lang niets at, zelfs geen brood. De menslievende Heer, die niet wilde dat de jongeman zo verdrietig was over de dingen van het leven, ving hem op met deze valk, zoals Hij heilige Eustachius ving met een hert. De heilige Constantijn dacht na over de geneugten van dit leven: “Wat voor leven is dit, waar vreugde altijd verdriet oproept? Vanaf vandaag ga ik een andere weg volgen, een betere dan deze, zodat ik de ijdelheid van het leven kan vermijden." Vanaf toen bleef hij bijna altijd thuis, en probeerde hij met grote ijver wetenschappen te bestuderen, vooral de leringen van de heilige Gregorius de Theoloog.

Constantijn had grote liefde voor deze heilige en kende veel van zijn leer uit het hoofd. Nadat hij een afbeelding van het heilige kruis op de muur had getekend, schreef hij een lofzang aan de heilige Gregorius onder dit kruis met de volgende woorden: “O heilige van God, Gregorius de Theoloog! Gij waart met het lichaam een mens, maar met uw leven – een engel, want uw lippen, zoals de lippen van de serafijnen, verheerlijkten God met lofprijzingen en verlichtten het universum met uw orthodoxe leer. Ik bid u, aanvaard mij, die u met geloof en liefde nadert, en wees mijn leraar en verlichter. "

Terwijl hij de boeken ijverig bestudeerde, zag Constantijn hoe onbeduidend zijn kennis was vanwege het gebrek aan een goede leraar, waardoor hij in grote moedeloosheid verviel. In hun stad woonde één persoon (een zwerver) die grammatica kende. Constantijn ging naar hem toe, smeekte hem, viel voor hem op zijn gezicht en zei:

- Doe een goede daad voor me: leer me grammatica.

De vreemdeling antwoordde dit:

- Jongen, vraag het mij niet. Ik heb beloofd niemand meer te onderwijzen.

Weer begon Constantijn hem met tranen te zeggen:

-        Neem het deel van mijn vaders huis dat van mij is, maar leer het mij.

Maar ook dit overtuigde deze man niet. Toen ging Constantijn naar huis en hier begon hij vurig te bidden dat de Heer het verlangen van zijn hart zou vervullen en een leraar voor hem zou vinden. De Heer vervulde al snel zijn verlangen.

Op dat moment stierf koning Theophilus in het Griekse land, en zijn zoon Michaël begon te regeren met zijn moeder, de vrome koningin Theodora. Deze keizer bleef als een minderjarige na de dood van zijn vader, en drie edelen werden aangesteld als zijn opvoeders: de domesticus[5] Manuël, de patriciër[6] Theoctistus en de logothetis[7] Dromi, die de ouders van Methodius en Constantijn goed kende. Logothetis, die op de hoogte was van de successen en ijver van Constantijn, haalde hem op om wetenschappen te studeren samen met de jonge koning Michael, die de inspanningen van Constantijn zou imiteren. De jongeman verheugde zich in de geest en vertrok met vreugde, terwijl hij tot God bad met het gebed van Salomo: "God van de vaderen en Heer van barmhartigheid", - zo bad Constantijn, - "die de mens heeft gemaakt. Geef mij wijsheid die op Uw troon zit, en sluit mij niet uit Uw dienaren, want ik ben Uw dienaar en de zoon van Uw dienares. Laat me alles weten wat U behaagt, zodat ik zou werken mijn hele leven lang omwille van Uw naam. "

In Constantinopel woonde Constantijn óf in het huis van de edelman, óf in de koninklijke paleizen. In 3 maanden leerde hij grammatica, bestudeerde vervolgens Homerus[8] en meetkunde; dialectiek en filosofie leerde hij bij Leo en Photius[9]. Naast deze wetenschappen studeerde hij retoriek, rekenen, astronomie, muziekkunst en in het algemeen alle andere Griekse wetenschappen. Hij kende niet alleen Grieks, maar ook Latijn, Syrisch en enkele buitenlandse talen. Met zijn intelligentie en ijver verbaasde hij zijn leraren, waarvoor hij later de naam van de filosoof / wijsgeer kreeg. Maar hij was niet alleen wijs in de wetenschappen, maar ook in het leven, hij beoefende nederigheid, sprak met degenen van wie hij onderwijs wilde ontvangen en vermeed degenen die tot het kwaad konden verleiden. In één woord, hij trachtte het aardse voor het hemelse te verruilen en bij God te leven.

Logothetis, die het goede leven van Constantijn en zijn successen in de wetenschap zag, maakte van hem manager van zijn huis en stond hem ook toe de koninklijke kamers binnen te gaan zonder een rapport. Eens vroeg de logothetis aan Constantijn:

- Vertel eens, filosoof, wat heet filosofie?

- Filosofie, - antwoordde Constantijn, - is het begrijpen van goddelijke en menselijke aangelegenheden, die de mens door deugd leren, voor zover het mogelijk is, God te naderen, die de mens heeft geschapen naar Zijn eigen beeld en gelijkenis.

Daarna hield de logothetis nog meer van Constantijn en wilde van hem onderricht in de filosofie ontvangen. Constantijn legde hem in enkele woorden de filosofische leer voort, waarvoor de logothetis voor hem bijzondere respect toonde en zelfs veel goud aanbood, maar Constantijn weigerde dat.

Deze edelman had een peetdochter - een meisje uit een rijke en glorieuze familie. Logothetis was van plan om haar aan Constantijn uit te huwelijken en poogde hem over te halen aldus:

-        Je schoonheid en wijsheid, - zei de logothétis, - zetten een iemand aan van je onopzettelijk te houden. Ik heb een geestelijke dochter, een mooie, rijke jonge vrouw, van goede en nobele familie. Als je wilt, neem haar tot je vrouw. Je zult grote eer en een vorstendom ontvangen van de koning, en binnenkort wordt je ook benoemd tot gouverneur.

- Dit geschenk is geweldig voor degenen die dat wensen, - antwoordde Constantijn, - voor mij is er niets kostbaarder dan onderwijs, waardoor ik rede, ware eer en rijkdom kan verwerven.

Na deze woorden ging de logothétis naar de koningin en zei:

- De jonge filosoof houdt niet van de ijdelheid van dit leven. Laten we proberen hem bij ons in de buurt te houden, en daarom zullen we hem overhalen om priesterschap te aanvaarden en de patriarchale bibliothecaris van de kerk van de heilige Sofia te worden. Alleen op deze manier kunnen we hem bij ons houden.

En dat deden ze ook. Constantijn werd priester en bibliothecaris in de kerk van de heilige Sofia. Maar zelfs in deze rang bleef Constantijn niet lang bij hen. Zonder iets tegen iemand te zeggen, ging hij naar de Gouden Hoorn[10] en verstopte zich daar in een klooster. Ze hebben lang naar Constantijn gezocht en pas na 6 maanden vonden ze hem. Ze konden hem niet overtuigen om de vorige functie op zich te nemen en smeekten hem alleen om leraar filosofie te worden aan de hoofdschool van Constantinopel.

Op dat moment wekte patriarch Johannes[11] vervolging op tegen de heilige iconen. Toen kwam er een concilie, waarop werd besloten deze patriarch van de troon te verwijderen. In reactie op dit besluit van de raad zei Johannes:

- Ik ben verwijderd door geweld, maar ze konden me niet schuldig bevinden, omdat niemand kan mijn woorden weerstaan.

De koning en de nieuwe patriarch stuurden Constantijn naar Johannes met de volgende woorden:

- Als je deze jongeman kunt terechtwijzen, dan zul je je de troon weer innemen.

Toen hij zo'n jonge filosoof zag en zijn sterke geest niet kende, zei Johannes tegen Constantijn en de boodschappers:

- U bent mijn voetsteun niet waard. Hoe ga ik met uw redetwisten?

- Houd je niet aan menselijke gewoonten, - antwoordde Constantijn, - maar kijk naar de geboden van God. Zoals jij, zo zijn wij ook geschapen van de aarde, maar de ziel is van God. Kijkend daarom naar de aarde, o mens, wees niet trots!

- Het is dwaas om in de herfst naar bloemen te zoeken, - zei Johannes, - en ook om de oude man naar de oorlog te sturen.

-        Je wijst jezelf terecht, - antwoordde de filosoof - Vertel eens, op welke leeftijd is de ziel sterker dan het lichaam?

- Op hoge leeftijd, - antwoordde Johannes.

- Voor welke oorlog roepen we je op, - vroeg de filosoof, - voor lichamelijke of geestelijke?

- Voor de geestelijke, - antwoordde Johannes.

- Als je nu de sterkste van geest bent, - zei de filosoof, - maak dan geen zulke vergelijkingen. Wij zoeken geen bloemen buiten zijn tijd, en we roepen je ook niet buiten zijn tijd voor een dispuut.

Daarna begonnen ze het gesprek. De ouderling vroeg:

- Zeg me jongeman: als het kruis breekt, dan vereren we het niet langer en kussen het niet meer. Hoe kunnen jullie, als er maar één gezicht tot aan de schouders is, je niet schamen om hem een iconische eer te bewijzen?

- Het kruis bestaat uit vier delen, - antwoordde de filosoof, - en als er een deel ontbreekt, dan verliest het kruis zijn uiterlijk. De icoon heeft een vorm en gelijkenis als het gezicht van degene die men wilt uitbeelden getekend is. De kijker kijkt niet naar de aanwezigheid van een leeuw of een lynx, maar naar het prototype (van Christus of de heilige dus).

- Jullie buigen voor het kruis, - zei de ouderling, - ook als er geen inscriptie op staat, maar de icoon eren jullie niet, als er geen inscriptie is.

- Elk kruis, - antwoordde de filosoof, - heeft de gelijkenis van het kruis van Christus, terwijl iconen niet één afbeelding hebben, maar verschillend zijn.

Ten slotte zei de ouderling:

- Waarom buigt u voor iconen als God tegen de profeet Mozes zei: "U zult voor uzelf geen beeld maken..." (Ex 20.4)?

- Als de Heer zei: maak geen enkele gelijkenis, - antwoordde de filosoof, - dan zou je correct spreken; maar de Heer zei: “U zult voor uzelf geen beeld maken, geen enkele afbeelding van wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is”, d.w.z. behalve vererenswaardige afbeelding.

De ouderling kon hier geen bezwaar tegen maken en zweeg. Rond deze tijd kwamen er ambassadeurs naar Constantinopel van de ongelovige Hagarenen[VM1] [12] of Saracenen, die Syrië hadden veroverd. Ten tijde van de voormalige koning Theophilus belegerden deze Saracenen het Griekse land en verwoestten de prachtige stad Amoria, door Gods toelating vanwege de zonden. Vanaf die tijd begonnen ze zich te beroemen op hun kracht tegenover de christenen en stuurden ze een brief naar Constantinopel met godslastering tegen de Allerheiligste Drie-eenheid.

'Hoe zegt u, christenen', - schreven de Saracenen, - 'dat God één is, terwijl u Hem in drieën verdeelt: u belijdt de Vader, de Zoon en de Geest? Als u dit kunt bewijzen, stuur dan mannen naar ons toe die met ons over het geloof kunnen praten en ons kunnen overtuigen.’ (het was in 851)

Op dat moment was de gezegende Constantijn 24 jaar oud. De koning verzamelde samen met de patriarch een concilie, waarop ze Constantijn riepen en hem vertelden:

'Hoor je, filosoof, wat de akelige Hagarenen zeggen over ons geloof? Als je een dienaar en discipel van de Heilige Drie-eenheid bent, ga ze dan terechtwijzen. En God, de uitvoerder van elk werk, die verheerlijkt wordt in de Drie-eenheid, Vader, Zoon en de Heilige Geest, geeft je genade en kracht in woorden, om je te tonen als een andere David, die met drie stenen Goliath overwonnen heeft (1 Sam. 17), en dan brengt Hij je veilig naar ons terug.

Toen hij zulke woorden hoorde, antwoordde de filosoof:

- Ik ben blij dat ik voor het christelijk geloof ga opkomen. Wat kan er beter voor mij zijn: sterven of blijven leven ter wille van de Heilige Drie-eenheid?!

Ze gaven Constantijn twee klerken en stuurden ze naar de Saracenen. Ze kwamen rechtstreeks naar de hoofdstad van het Saraceense vorstendom - Samara, gelegen nabij de rivier de Eufraat (ten noorden van de huidige Bagdad), waar de Saraceense prins Amirmushna woonde. Hier zagen ze vreemde en gemene dingen die de Hagarenen deden om de christenen, die daar woonden, te bespotten en uit te lachen. Op bevel van de Saraceense autoriteiten werden op de buitenkant van de deuren, waar christenen woonden, afbeeldingen van de demonen gegraveerd. Hiermee wilden de Hagarenen laten zien dat ze christenen verafschuwen alsof ze demonen waren. Zodra Constantijn bij hen aankwam, vroegen de Saracenen hem, wijzend op de demonen:

- Kun je, filosoof, begrijpen wat deze beelden zeggen?

- Ik zie een duivels afbeelding, - antwoordde de filosoof, - en ik denk dat hier christenen wonen. De demonen kunnen niet samen met christenen wonen en vluchten van hen (oftewel staan buiten de deur). Waar deze afbeelding niet aan de buitenkant van de deuren bevindt, daar wonen de demonen binnen in het gebouw.

De Saracenen nodigden Constantijn uit voor het avondeten in het vorstelijke hof. Het diner werd bijgewoond door slimme en schoolse mensen die meetkunde, astronomie en andere wetenschappen hadden gestudeerd. Ze beproefden Constantijn en vroegen hem:

- Zie je, filosoof, een wonderbaarlijk iets: de profeet Mohammed bracht goede leer van God en bekeerde veel mensen. We houden ons allemaal in gelijke mate aan zijn wet en veranderen niets. Maar bij jullie, christenen, die zich aan de wet van Christus houden, gelooft de één op deze manier en de ander op een andere en leeft zoals hij wil. Er zijn veel leraren onder jullie die op verschillende manieren leren, en er zijn monniken die zwarte kleding dragen en een bijzondere manier van leven leiden. U wordt echter allemaal christenen genoemd.

- Jullie stelden mij twee vragen, - antwoordde de zalige Constantijn, - over het christelijk geloof en over de christelijke wet, of: hoe christenen geloven en hoe ze hun geloof in het leven vervullen. Allereerst zal ik zeggen over het geloof. Onze God is als de afgrond van de zee - van onmetelijke breedte en diepte, onbegrijpelijk voor de menselijke geest en onverklaarbaar in menselijke woorden, zoals de heilige profeet Jesaja over Hem zegt: "Wie zal Zijn geslacht verhalen?" (Is. 53: 8); op basis hiervan roept onze leraar, de heilige apostel Paulus, uit, zeggende: (Rom. 11:33) “O, diepte van rijkdom, zowel van wijsheid als van kennis van God, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen!” Velen die God willen zoeken betreden deze afgrond, en degenen onder hen die sterk van geest zijn en de hulp van de Heer Zelf hebben verkregen, drijven veilig op de zee van Gods onbegrijpelijkheid; degenen die zwak zijn van geest en in hun verwaandheid de hulp van God verloren hebben, pogen deze afgrond over te varen in lekkende schepen, verdrinken, vervallen in ketterijen en waanvoorstellingen, of met moeite op één plek blijven, bezorgd door onzekerheid en twijfels. Daarom verschillen veel christenen in geloof, zoals u zegt. Ik zei dit over het geloof, maar over de werken van geloof zal ik het volgende zeggen: de wet van Christus is niet anders, maar diegene die God aan Mozes gaf op de Sinaï (Ex. 20: 1–18), om niet te doden , niet stelen, geen overspel plegen, niet iemands anders bezit verlangen, enz. Onze Heere zei: "Ik ben niet gekomen om de wet af te schaffen, maar om te vervullen" (Matteüs 5:17). Om een meer volmaakte leven te leiden en God beter te behagen, gaf de Heer raad om een zuiverder, maagdelijker leven te leiden en bijzondere werken te doen die naar het eeuwige leven leiden op een nauwe en smartelijke pad. De Heer dwingt dit leven echter niet op, en dit gebeurt niet door geweld. God schiep de mens tussen hemel en aarde: door rede en intellect verschilt de mens van de woordelozen (dieren) , door toorn en lust verschilt hij van de engelen. Toen gaf God de mens een vrije wil zodat hij kan doen wat hij wil en datgene wat hij zou benaderen - hiermee zal hij ook gemeenschap hebben: ofwel een deelgenoot van engelen, door voor God te werken, zoals dat hem zijn door het geloof verlichte intellect leert, of hij zal deel hebben aan het redeloos vee als hij zonder enige onthouding alle lusten van het vlees zou vervullen. En aangezien God de mens met een vrije wil heeft geschapen, wil Hij dat wij niet door dwang, maar volgens onze eigen wil worden gered en zegt: (Mattheüs 16:24) “Als iemand achter Mij aan wil komen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen”; en: “Wie dit vatten kan, laat die het vatten” (Mattheüs 19:12). Sommige van de trouwe christenen gaan door dit leven op een meer gemakkelijke manier en leven in een eerlijk huwelijk op een kuise manier volgens de natuurwetten, terwijl anderen, die ijveriger zijn en volmaakter willen zijn, trachten als engelen te leven en bewandelen het nauwe pad. Daarom leiden christenen verschillende levenswijzen.

Uw geloof en wet, - vervolgde Constantijn, - hebben echter geen ongemak; ze zijn niet als de zee, maar als een beekje, dat iedereen, groot en klein, zonder moeite overheen kan springen. Er is niets goddelijks en door God geïnspireerd in uw geloof en uw wet, maar alleen menselijke gewoonten en vleselijke wijsheid die gemakkelijk kunnen worden uitgevoerd. Uw wetgever Mohammed heeft jullie tenslotte geen gebod gegeven dat moeilijk te vervullen is: hij keerde u niet eens af van woede en wetteloze lust, maar stond alles toe. Daarom vervullen jullie allemaal op dezelfde manier jullie wet, die gegeven is volgens jullie lusten. Onze Heiland Christus deed dat niet. Hij Zelf, de Zuiverste en de bron van alle zuiverheid, wil dat Zijn dienstknechten heilig leven, weg van alle lust; en dat de reinen zouden zich alleen bij de reinen invoegen, aangezien 'niets onreins Zijn koninkrijk zal binnengaan' (Openbaring 21: 27).

Toen vroegen de Saraceense wijzen aan Constantijn:

- Waarom verdeelt u, christenen, één God in drie: u noemt het Vader, Zoon en Geest? Als God een Zoon kan hebben, geef Hem dan een vrouw, zodat er veel goden zijn.

- Laster niet de goddelijke Drie-eenheid, - antwoordde de christelijke filosoof, - die we hebben leren belijden van de oude profeten, die u ook erkent door zich met hen te besnijden. Ze leren ons dat de Vader, de Zoon en de Geest drie hypostasen zijn, maar dat hun essentie één is. Deze gelijkenis is ook te zien in de hemel. In de zon, door God geschapen naar het beeld van de Heilige Drie-eenheid, zijn er drie dingen: een cirkel, een lichtstraal en warmte. In de Heilige Drie-eenheid de zonnecirkel is de gelijkenis van God de Vader. Net zoals de cirkel geen begin en geen einde heeft, zo is God zonder begin en zonder einde. Zoals uit de zonnecirkel komt een lichtstraal en zonnewarmte, zo wordt van God de Vader de Zoon geboren en de Heilige Geest uitgegaan. En de zonnestraal, die het heelal verlicht, is dus een gelijkenis van God de Zoon, geboren uit de Vader en verschijnend in deze wereld, terwijl de zonnewarmte, die samen met de straal uit dezelfde zonnecirkel komt, de gelijkenis van God de Heilige Geest is, Die, samen met de geboren Zoon, eeuwig is, komt van de Vader, hoewel Hij in de tijd door de Zoon naar de mensen gezonden wordt[13]! Zoals bijvoorbeeld Hij werd naar de apostelen gestuurd in de vorm van vuurtongen. En net als de zon, bestaande uit drie objecten, - een cirkel, een lichtstraal en warmte, - wordt niet verdeeld in drie zonnen, - hoewel elk van deze objecten zijn eigen kenmerken heeft, de ene is een cirkel, de andere is een straal, de derde is warmte, doch niet drie zonnen, maar één, - zo ook de Heilige Drie-eenheid, hoewel Hij drie Personen heeft: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, wordt in Zijn goddelijkheid niet in drie goden verdeeld, maar is Eén God. Herinner je je nog hoe de Schrift zegt hoe God aan de voorvader Abraham verscheen bij de eik Mamre, van wie u de besnijdenis bewaart? God verscheen aan Abraham in drie personen. Genesis 18:2 “Hij sloeg zijn ogen op, en keek, en zie, er stonden drie mannen voor hem. Toen hij hen zag, liep hij hun snel uit de ingang van de tent tegemoet en boog zich ter aarde. En hij zei: Mijn heer, als ik nu genade gevonden heb in uw ogen, ga dan uw dienaar toch niet voorbij.” Let er op: Abraham ziet drie Mannen voor zich en praat als met Eén, zeggend: “Mijn heer, als ik nu genade gevonden heb in uw ogen." Het is duidelijk dat de heilige voorvader één God in drie personen heeft beleden.

De Saraceense wijzen, die niet wisten wat ze moesten zeggen over de leer van de Allerheiligste Drie-eenheid, zwegen en vroegen toen:

- Hoe zeggen jullie, christenen, dat God uit een vrouw werd geboren? Kan God geboren worden uit de baarmoeder van een vrouw?

- Niet uit een eenvoudige vrouw, - antwoordde de filosoof, - maar uit de ongehuwde, meest zuivere Maagd werd God de Zoon geboren door de werking van de Heilige Geest, die in de meest zuivere, maagdelijke schoot op onuitsprekelijke wijze het vlees voor Christus God maakte en de bovennatuurlijke incarnatie en de geboorte van het Woord van de Vader tot stand bracht. Daarom bleef de Verwekster, die door de Heilige Geest de Zoon heeft verwekt, zowel vóór de geboorte, als tijdens en na de geboorte, zuivere Maagd, volgens de wil van God, aan wie elk geschapen schepsel gehoorzaamt, volgens de kerkelijke lied: "waar God het wil, wordt de orde van de natuur overwonnen”.

En dat Christus door de Heilige Geest uit een zuivere Maagd werd geboren, getuigt ook uw profeet Mohammed, die het volgende schrijft: "De Heilige Geest werd naar de zuivere Maagd gezonden, zodat Zij door Zijn wil een zoon zou baren."

- We betwisten niet, - zeiden de Saracenen, - dat Christus werd geboren uit een zuivere Maagd, alleen noemen we Hem geen God.

- Als Christus een eenvoudige mens was, en niet God tegelijkertijd, waarom zou dan Zijn conceptie van de Heilige Geest plaatsvinden? Een gewone mens wordt geboren uit een getrouwde vrouw, en niet uit een ongetrouwde Maagd, en wordt van nature verwekt door een echtgenoot, en niet door een speciale komst en werk van de Heilige Geest.

Hierna vroegen de Saracenen:

- Als Christus uw God is, waarom doet u dan niet wat Hij u zegt? Er staat tenslotte in het evangelie geschreven: bid voor je vijanden, doe goed aan degenen die je haten en onderdrukken, en keer je wang toe naar degenen die je slaan. Dit doen jullie niet: jullie slijpen de wapens tegen jullie tegenstanders.

Hierop antwoordde de filosoof als volgt:

- Als in een wet twee geboden worden geschreven en aan mensen worden gegeven ter vervulling, wie van de mensen zal dan de ware uitvoerder van de wet zijn: degene die één gebod vervult of degene die twee vervult?

- Natuurlijk zal de beste uitvoerder degene zijn die de twee geboden zal vervullen, - antwoordden de Saracenen.

- Christus, onze God, - zei de filosoof, - gebood ons te bidden voor degenen die ons beledigen en goed aan hen te doen, maar Hij zei ook dit: "Er is geen grotere liefde dan wanneer iemand zijn leven geeft voor zijn vrienden" (Johannes 15:13). We verdragen grieven als ze alleen tegen iemand afzonderlijk zijn gericht, maar we komen op en leggen zelfs onze zielen neer als ze op de samenleving zijn gericht, zodat onze broeders niet in gevangenschap komen, waar ze verleid kunnen worden tot goddeloze en slechte daden.

Weer zeiden de Saracenen:

- Uw Christus bracht een belastinggeld voor Zichzelf en voor anderen (voor de apostel Petrus). Waarom doen jullie het niet en willen jullie geen belasting betalen? Als je echt voor elkaar opkwam, zou je zeker belasting betalen voor jullie broeders aan zo'n groot en machtig volk van de Ismaëlieten.

- Als iemand in de voetsporen van zijn leraar treedt en dat altijd wil blijven doen, - antwoordde Constantijn, - en iemand anders hem van dit pad afleidt, is zo iemand dan zijn vriend of vijand?

-        Ongetwijfeld de vijand, - antwoordden de Saracenen.

-        Toen Christus de belasting gaf', - vroeg Constantijn toen, - welke koninkrijk was er toen: Ismaëltische of Romeinse?

-        Romeinse, - antwoordden de Saracenen.

-        Daarom, - antwoordde de filosoof, - geven wij in navolging van Christus belasting aan de koning die in het nieuwe Rome (Constantinopel) verblijft en het oude Rome bezit. Maar als u belasting van ons zoekt, misleidt u ons van het pad van Christus en bent u onze vijanden.

Daarna kreeg Constantijn vele andere vragen aangeboden uit de wetenschappen die ze kenden. Constantijn beantwoordde alle vragen zodat de Saracenen niets ertegen konden zeggen. Toen vroegen ze hem:

- Hoe weet je dit allemaal?

Toen gaf Constantijn de volgende vergelijking:

-        Eén man, - zei hij, - nam water uit de zee en droeg het in een zak. Hij liep ver van de zee vandaan, wees naar een zak met water en zei tegen iedereen: "Zien jullie het water dat niemand anders heeft dan ik?" Een kustbewoner kwam naar hem toe en zei: 'Schaam je je niet om over een zak water op te scheppen, terwijl we de hele zee hebben?' Dat doet u dus als je vragen stelt uit de wetenschappen die u van ons (de Grieken) hebt geleerd.

Toen lieten de Saracenen aan Constantijn een wijngaard zien, als iets wonderbaarlijks ooit geplant met werklust en goed gegroeid. Constantijn legde uit hoe dit wordt gedaan. Toen lieten de Saracenen hem al hun rijkdom zien: paleizen versierd met goud, zilver en edelstenen en zeiden:

- Zie je, filosoof, welke macht en rijkdom heeft Omar, de heer van de Saracenen?

- Hier is niets wonderbaarlijks aan, - antwoordde de filosoof. - Voor dit alles moet men God verheerlijken die deze rijkdom heeft gegeven voor het plezier van de mensen. Dit alles behoort God toe en niemand anders.

Uiteindelijk lieten de Saracenen zichzelf zien zoals ze werkelijk zijn. Ze gaven gif aan de gezegende Constantijn in zijn drankje. Maar de Heer, die aan iedereen die in Zijn naam werkt beloofde, "als ze iets dodelijks drinken, zal het hun niet schaden" (Marcus 16:18), bewaarde zijn dienstknecht veilig en wel. De Saracenen, die dit wonder zagen, stuurden Constantijn samen met anderen naar hun land terug met eer en geschenken van hun vorst.

 

[1] Leo V de Armeniër regeerde van 813 tot 820.

[2] Michaël II Traulos regeerde van 820 tot 829.

[3] Theophilus regeerde van 829 tot 842.

[4] Olympus is in dit geval een berg in Klein-Azië, op de grens van Phrygië en Bithynië.

[5] Domesticus is de hoogste militaire hoogwaardigheidsbekleder die constant aan het koninklijk hof woonde en het was zijn taak om de persoon van de keizer te beschermen.

[6] Mensen van adellijke afkomst werden in de oudheid patriciërs genoemd.

[7] Logothetis (functie) was verantwoordelijk voor de keizerlijke post, diplomatie en inlichtingen. In de 10e-11e eeuw fungeerde de houder ervan vaak als de eerste minister van het Byzantijnse rijk.

[8] Homerus is een beroemde oude Griekse schrijver, auteur van de Ilias en Odyssee, die 3000 jaar geleden leefde.

[9] Latere patriarch.

[10] De Gouden Hoorn is een lange, smalle baai die de inham van de Bosporus vormt.

[11] Johannes VII regeerde als patriarch van 832 tot 842.

[12] Hagarenen, Saracenen en ook Ismaëlieten zijn de bijnamen voor moslims.

[13] Dat wil zeggen door de verdiensten van Christus aan het kruis: “want de Heilige Geest was nog niet op hen, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was” (Johannes 7:39).

Bron

istanbul-hagia-sophia-700x447.jpg 

De overblijfsel van de kathedraal van de heilige Sofia in wat nu Istanbul is. Het gebouw is omgezet nu naar een moskee met 4 minaretten als bijgebouwen.

bewerkt door Modestus
Link naar bericht
Deel via andere websites
36 minuten geleden zei Modestus:

Hierbij wil ik onder jullie aandacht brengen het levensverhaal van de apostelgelijken Cyrillus en Methodius.

Hoezo zijn zij gelijk aan apostelen ? 

36 minuten geleden zei Modestus:

Meestal wordt er met moslims gedebatteerd over de Heilige Drie-eenheid, omdat het blijft een grote struikelblok voor moslims, dat hun de aanleiding geeft om het christendom belachelijk te maken.

En andersom, er zijn toch ook aspecten aan de Islam die jou aanleiding geven om de Islam belachelijk te maken ? 

Link naar bericht
Deel via andere websites
1 minuut geleden zei Dat beloof ik:

Hoezo zijn zij gelijk aan apostelen ? 

Ze zijn niet per se gelijk aan apostelen, maar het is gewoon een eretitel uit dankbaarheid voor hun bijdrage aan het werk van de apostelen. 

Link naar bericht
Deel via andere websites
Zojuist zei Modestus:

Ze zijn niet per se gelijk aan apostelen, maar het is gewoon een eretitel uit dankbaarheid voor hun bijdrage aan het werk van de apostelen. 

In dat geval begrijp ik niets van de eretitel 'apostelgelijken' ; de titel suggereert dus iets wat het niet is ?

 

@Modestus. Het is een mooi verhaal. Maar ben je er werkelijk van overtuigd dat het zo gegaan is? 

Link naar bericht
Deel via andere websites
57 minuten geleden zei Dat beloof ik:

In dat geval begrijp ik niets van de eretitel 'apostelgelijken' ; de titel suggereert dus iets wat het niet is ?

 

@Modestus. Het is een mooi verhaal. Maar ben je er werkelijk van overtuigd dat het zo gegaan is? 

Nou, ik heb die titel niet bedacht, maar ik ben wel overtuigd dat hun bijdrage inderdaad groot was.

Link naar bericht
Deel via andere websites
  • 3 weeks later...

En nu het gesprek met de joden (eerste deel daarvan) die veel intellectueler en vriendelijker is verlopen. Hier worden er ook volken genoemd, die niet meer bestaan als zelfstandige entiteiten of wiens woonplaats en cultuur allang veranderd en geëvalueerd zijn. In de loop van de geschiedenis bestonden er vele volken, die verdwenen zijn door massamoorden door de veroveraars en de assimilatie met de nieuwe omgeving. De Turkse Slavischsprekende stam van de Khazaren, die gedeeltelijk tot het jodendom zich bekeerde, is één van die vele verdwenen volken en naties. Als je dus dit verhaal leest, houd dan in gedachten dat de wereld van toen zag er heel anders uit dan de wereld van nu.

HMYWRmmeaDH090Zl_r_JQf2Z68mbPMorT-tzm4IY  mqdefault.jpg

"In Constantinopel ontvingen de koning en de patriarch de gezegende Constantijn met lof voor het God-welgevallige werk dat hij verricht had. Maar Constantijn bleef niet lang in Constantinopel. Al snel ging hij naar een stille en afgelegen plek, waar hij zich alleen voor zijn eigen redding werkte. Hij nam geen voedsel mee, maar in dit geval vestigde hij al zijn hoop op de voorzienigheid van God, die hem door Christus-beminnende mensen met voedsel voorzag. Van het gekregen voedsel liet Constantijn niets over voor de volgende dag, maar na de gebruikelijke maaltijd verdeelde hij al de rest onder de armen, vertrouwend op God, die Zijn gulle hand opent en alle levende wezens voedt met Zijn goedheid.

Eens had Constantijn geen enkele voedsel op de dag vóór een grote feestdag, waarover zijn knecht hevig begon te treuren. De zalige Constantijn zei tegen hem:

- Zal Hij die eens jarenlang de Israëlieten in de woestijn voedde, ons op deze grote dag niet voeden? Ga en roep minstens vijf bedelaars voor ons diner en we zullen wachten op Gods genade, want Hij zal ons niet verlaten.

Zo is het inderdaad gebeurd. Tijdens de lunch kwam er een man en bracht veel voedsel van allerlei soort en tien gouden munten. De gezegende nam dit aan en loofde God, zijn Voeder.

Van daaruit ging Constantijn naar Olympus, naar zijn oudere broer Methodius, met wie hij begon samen te leven, monastieke inspanningen te verrichten door te vasten, tijd door te brengen in gebed of het lezen van boeken[1].

Op dat moment kwamen ambassadeurs van de Khazaren[2] naar de Griekse koning Michaël, met de volgende woorden:

- We kennen allereerst de Ene God, die over alles heerst, en we bidden tot Hem, buigend naar het oosten, maar tegelijkertijd houden we enkele obscene gebruiken.

Joden pogen ons hun geloof en daden te doen aanvaarden, en velen van ons zijn reeds joden geworden in geloof. De Saracenen, die een alliantie met ons aangaan en ons geschenken aanbieden, dwingen ons het mohammedaanse geloof te aanvaarden en zeggen dat het geloof van de Saracenen beter is dan het geloof van alle andere volkeren. Daarom willen we van u, met wie we onze oude liefde en vriendschap houden, nuttig advies ontvangen en u vragen een geleerde man naar ons te sturen en als hij de joden en Saracenen kan terechtwijzen, zullen we uw geloof aanvaarden. 

Toen besloot keizer Michaël, op advies van Zijne Heiligheid Patriarch Ignatius[3], die na de heilige Methodius[4] was, de gezegende Constantijn naar de Khazaren te sturen, na hem van de Olympische berg te hebben gehaald. Nadat hij het verzoek van de Khazaren had bekendgemaakt, zei de koning tegen Constantijn:

- Ga, filosoof, naar deze mensen en breng hen met de hulp van de Heilige Drie-eenheid de leer van de Heilige Drie-eenheid. Niemand kan deze opdracht beter vervullen dan jij.

- Als je beveelt, meester, - antwoordde Constantijn, - zal ik daar graag te voet naartoe willen gaan, blootsvoets en zonder alles wat de Heer Zijn discipelen niet heeft opgedragen mee te nemen, toen Hij ze stuurde te prediken.

- Als je het alleen zou doen, - antwoordde de koning, - dan zou ik er niets tegen hebben, maar aangezien je van ons wordt uitgezonden, ga dan met eer en de koninklijke hulp.

Daarna overtuigde Constantijn zijn broer, de zalige Methodius, die de Slavische taal kende, om met hem mee te gaan voor de apostolische bediening, om de ongelovigen te verlichten met het licht van Christus’ geloof. Methodius was het daarmee eens, en ze gingen samen op pad. De weg lag voor hen via de steppen, maar de Oegriërs, de huidige Hongaren of Magyaren, leefden in die tijd in die steppen. Deze Oegriërs waren zo verschrikkelijk dat ze zelfs niet op mensen leken: ze droegen kleren met het bont naar buiten, ze zaaiden geen brood en leefden van de roof. Toen de heilige broeders hier stopten om te bidden, werden ze aangevallen door de Oegriërs, die huilden als wolven en ze aan stukken wilden scheuren. Constantijn was niet bang, gaf zijn gebed niet op en herhaalde vaak: "Heer, ontferm u."

Aan het einde van het gebed werden de Oegriërs door Goddelijke werking zachtmoedig toen ze Constantijn zagen en bogen zelfs voor hem. Constantijn sprak verschillende leerzame woorden tot hen, waarna de Oegriërs lieten hen hun weg gaan.

Allereerst gingen de heilige broeders naar de Griekse stad Chersonissos, die grensde met de Khazaren, en aan de kust niet ver van (het huidige) Sebastopol[5] zich bevond. Hier brachten ze een aanzienlijke tijd door met het bestuderen van Khazaarse taal[6] en het Grieks. Constantijn vertaalde hier ook acht delen van de Hebreeuwse grammatica. Ze bestudeerden het om de Khazaren beter te onderwijzen en te polemiseren met de joden, die in vele aantallen onder de Khazaren waren.[7]

Hier woonde een Samaritaan, die naar Constantijn ging en met hem over het geloof sprak. Op een dag bracht hij Samaritaanse boeken mee en liet ze aan Constantijn zien. Constantijn vroeg de Samaritaan om die boeken en sloot zich op in zijn kamer en begon oprecht tot God te bidden om hem te helpen ze te bestuderen. Met Gods hulp bestudeerde Constantijn deze boeken snel en goed. Toen de Samaritaan dit hoorde, riep hij uit: "Inderdaad, wie in Christus gelooft, ontvangt spoedig de genade van de Heilige Geest."

De zoon van de Samaritaan werd onmiddellijk gedoopt; na hem aanvaardde ook de Samaritaan het geloof van Christus.

In Chersonissos slaagde Constantijn erin "Het evangelie en het psalter in Russische geschriften" te vinden, evenals een persoon die deze taal sprak. Constantijn leerde deze spraak in zijn conversatie met hem en verdeelde op basis van de gesprekken de letters in klinkers en medeklinkers en begon met de hulp van God al snel de boeken, die hij gevonden had, te lezen en uit te leggen. Velen die zulke wijsheid zagen, verwonderden zich en prezen God.

Hier leerden de heilige broeders dat de relieken van de heilige martelaar Clemens, paus van Rome[8], in de zee lagen. Ze begonnen de Chersonitische bisschop over te halen om de heilige relieken te openen. Over deze relieken wordt het volgende verteld:

Toen de heilige Clemens van Rome in Chersonissos werd opgesloten en velen daar tot het christelijk geloof bekeerde, beval de hegemoon Aufidianus, in opdracht van de koning Trajanus[9], hem te doen verdrinken in de zee, waarbij een scheepsanker om zijn nek gebonden werd zodat christenen zijn lichaam niet zouden vinden. De trouwe discipelen van de heilige stonden op het strand en keken snikkend naar de verdrinking van hun leraar. Toen zeiden twee trouwe discipelen, Cornelius en Thebe, tegen de christenen:

- Laten we allemaal eensgezind bidden dat de Heer ons het lichaam van de heilige martelaar zal openbaren.

Door het gebed van de christenen trok de zee zich drie stadiën[10] terug. Net als de oude Israëlieten op de Rode Zee, liepen de mensen op een droge bodem en vonden een marmeren graf, gemaakt als een kerk, en daar zagen ze het heilige lichaam liggen en het anker waarmee de heilige tot zinken werd gebracht. De christenen waren van plan om het heilige lichaam weg te nemen, maar de bovengenoemde discipelen kregen een openbaring, die hun beval de heilige relieken niet aan te raken, en dat elk jaar, ter nagedachtenis van de heilige, de zee voor zeven dagen lang terug zal wijken, plaatsmakend voor degenen die de heilige relieken willen vereren. Dit duurde 700 jaar, van de regering van Trajanus tot de regering van de Griekse koning Nicephorus[11]. Vanwege de zonden van mensen echter, stopte de zee zich terug te trekken in de regering van Nicephorus, wat de christenen veel verdriet bezorgde.

De heiligen Constantijn en Methodius kwamen in Chersonissos aan nadat er meer dan 50 jaar waren verstreken sinds de laatste verhulling van de heilige relieken. Georgios, de gezegende bisschop van Chersonissos, die door de heilige broers werd overgehaald om de heilige relieken te openen, ging allereerst naar Constantinopel naar de koning en de patriarch om hun toestemming te vragen voor deze onthulling. Samen met de bisschop van Constantinopel arriveerde de hele geestelijkheid van de kerk van de heilige Sophia voor de onthulling van de heilige relieken. Daarna vertrokken allen samen, evenals de heiligen Constantijn en Methodius, vergezeld door de mensen, naar de kust, in de hoop te krijgen wat ze wilden. Maar de zee ging niet achteruit. Toen, bij het ondergaan van de zon, gingen ze aan boord van een schip en zeilden de zee op. Plotseling 's nachts, om middernacht, scheen het licht van de zee en verscheen het heilige hoofd, en daarna werd het hele lichaam van de heilige Clement zichtbaar. De heilige relieken werden in een schip geplaatst en met grote eer naar de stad gebracht en in de Apostolische kerk geplaatst. De heiligen Constantijn en Methodius namen een deel van de heilige relieken en droegen hen mee ze waar ze ook gingen, totdat ze dit deel naar Rome brachten.

Van Chersonissos gingen Constantijn en Methodius naar de Khazaren, waar ze eervol werden ontvangen door de Khazaarse Kagan, aan wie ze een document van de Griekse koning overhandigden. De zalige Constantijn moest lange gesprekken voeren met de Khazaren, Joden en Saracenen. Methodius nam bijna geen deel aan deze gesprekken, aangezien hij minder opgeleid was dan Constantijn: hij wist als een voormalige legeraanvoerder beter hoe hij met de mensen om moest gaan dan hoe hij aangeleerde gesprekken moest voeren. Daarom moest Constantijn, - die van jongs af aan bekwaam was in de wetenschappen, de Heilige Schrift goed kende en een goede prediker was, in staat zijnde om elke vraag te beantwoorden, - persoonlijk gesprekken over het geloof voeren; Methodius hielp Constantijn echter met zijn godvruchtige gebed.

De Khazaren stuurden een listige en sluwe man naar Constantijn, die tegen hem zei:

- Jullie, Grieken, hebben de slechte gewoonte om in plaats van de ene koning een andere aan te stellen, die uit een gewone, niet-koninklijke familie afkomstig is. Zo hebben jullie na Nicephórus de nobelman Michaël Kouropalátes als koning aangesteld en, na hem achtergelaten te hebben, verhieven jullie tot de troon Leo de Armeniër, die uit een eenvoudige geslacht is, na wiens dood jullie Michaël Traulos aanstelden als koning, die een inwoner van Amoria is. Bij ons is het niet zo: al onze kagans zijn van de kagan-clan, en niemand kan bij ons regeren als ze niet tot deze clan behoren.

Hierop antwoordde Constantijn in korte woorden:

- Handelde God verkeerd toen hij koning Saul, die Hem mishaagde, verwierp en David koos uit de herders van de kudden?

De Khazaar kon hier geen bezwaar tegen hebben en stelde een andere vraag voor:

- U spreekt morele leringen uit de boeken die u in uw handen houdt, wij zijn niet zo, maar wij spreken alle wijsheid van haarzelf, zonder trots te zijn op onze geschriften, zoals u doet. Het is alsof alle wijsheid in ons is.

- Als je een naakte man ontmoet, - antwoordde Constantijn, - die beweren zal dat hij veel kleren en goud en bezittingen heeft, zul je hem geloven, hem naakt ziend en niets in zijn handen hebbend?

- Nee, - zei de Khazaar - Als hij iets had, dan zou hij niet naakt lopen.

- Als je, zoals je opschept, alle wijsheid hebt opgespaard, - zei Constantijn tegen de Khazaar, - zeg me dan: hoeveel geslachten waren er van Adam tot Mozes, en waar elk van hen leefde er op aarde?

De Khazaar kon niets antwoorden. Constantijn vervolgde:

- Daarom geloof ik je niet dat je alle wijsheid hebt geleerd en geen boeken nodig hebt.

De heilige broers werden geroepen voor het diner bij de kagan. Voordat hij aan tafel ging zitten, vroeg de kagan hen:

- Vertel me wat voor soort je bent, zodat we weten waar we jullie moeten plaatsen.

- Onze grootvader, - antwoordde Constantijn, - was van een geweldige en glorieuze familie en was dichtbij de Koning. Maar hij slaagde er niet in de grote glorie die hem was gegeven te bewaren, en werd van de Koning verdreven en trok zich terug in een vreemd land, waar hij ons baarde. We zijn nu op zoek naar de oeroude glorie van onze grootvader en willen er geen andere hebben. Onze grootvader was Adam.

- Je spreekt fatsoenlijk en correct, gast, - zei de kagan, waarna hij Constantijn begon bijzonder te respecteren.

Toen ze aan tafel gingen zitten, nam de kagan de beker en zei:

- Ik drink ter ere van de Ene God, die de hele schepping heeft geschapen. Constantijn nam de beker met de woorden:

- Ik drink ter ere van de Ene God en Zijn Woord, waardoor de hemelen werden bevestigd, en de levenschenkende Geest, door wie het bestaan van de schepping wordt verwezenlijkt.

- Wij hebben dezelfde leer over God, - zei de kagan tegen Constantijn, - de Schepper van de hele schepping, alleen verschillen we daarin dat jullie de Drie-eenheid verheerlijken, maar wij verheerlijken de Ene God, zoals de Joodse boeken ons dat leren.

- Als u, - antwoordde Constantijn, - uit de Hebreeuwse boeken hebt geleerd dat God één is, dan uit diezelfde boeken kom tot de kennis van de Heilige Drie-eenheid. De Hebreeuwse boeken in hun profetieën prediken naast de Vader – ook het Woord en de Geest. Zo zegt de koning en profeet David: “door het woord van de Here werden de hemelen geschapen, en door de adem van zijn mond heel hun legermacht” (Ps. 33: 6). Hier op deze plek worden de eenheid en drie-eenheid heel duidelijk aangegeven: de Heer, Zijn Woord en Geest[12]. De Here is God de Vader, het Woord is God de Zoon, de Adem van de mond van de Here is God de Heilige Geest. Echter, niet drie Heren, maar Eén Heer met Zijn Woord en Geest, en ook niet drie goden, maar Eén vereerde God. Overweeg er ook het volgende: wie van de twee zou de beste vereerder van uw koninklijke persoon zijn: degene die alleen u zou eren, maar je woord en de geest van je lippen verachten, of degene die zowel u als uw woord en de geest van uw mond zou eren?

- Zonder twijfel de laatste, - antwoordde de kagan.

- Daarom, - vervolgde de filosoof, - eren wij evenzeer de Heilige Drie-eenheid: Vader, Zoon en Heilige Geest, en zijn we betere en oprechtere aanbidders dan u. We hebben deze aanbidding geleerd uit de profetische boeken. Naast de bovenstaande vers, zal ik ook een andere aanhalen. Zo spreekt de heilige profeet Jesaja over God de Zoon met de volgende woorden: “Hoor mij, Jacob en Israël, mijn uitverkorene: ik ben dezelfde, ik ben de eerste en ik ben de laatste... en nu de Here God en zijn Geest heeft mij gezonden” (Jes. 48:12, 16). Onze oude vaders[13] legden deze plaats van de Heilige Schrift als volgt uit: Wie is de gezondene, zo niet de Zoon? Van wie is het gezonden, zo niet van de Vader en de Geest van de Heilige Vader?

Er waren veel Joden bij dit banket. Sommigen van hen zeiden tegen Constantijn:

- Vertel ons eens, christelijke filosoof: hoe kan het vrouwelijk geslacht God bevatten in de baarmoeder, wie zelfs engelen niet kunnen aanschouwen?

De filosoof, wijzend met zijn vinger naar de kagans eerste raadgever, zei:

- Als iemand zou zeggen dat deze eerste raadgever de kagan niet in zijn huis kan ontvangen en hem niet kan trakteren, terwijl zelfs de laatste slaaf dat kan doen, hoe zouden we hem dan noemen: krankzinnig of redelijk?

- Heel erg krankzinnig zelfs, -  antwoordden de joden.

Toen stelde de filosoof de volgende vraag:

- Welke van alle zichtbare schepselen onder de hemel is de meest eerwaarde?

- De mens is de eerwaardigste schepping, - antwoordden de joden, - omdat hij een rationele ziel heeft, geschapen naar het beeld van God.

- Daarom onredelijk zijn degenen, - antwoordde de filosoof, - die zeggen dat het voor God onmogelijk is om in een menselijke baarmoeder te verblijven, terwijl ze weten dat Hij ten tijde van Mozes in een struik (braambos) paste. Is de struik, - een zielloos en ongevoelig wezen, - groter dan een zintuigelijk en redelijk wezen met een Godgelijke ziel? Behalve de struik paste God in een wolk, rook en vuur toen Hij aan Job, Mozes en Elia verscheen. Bijzonder wonderbaarlijk is het feit dat God in het meest eerwaardige, levende schepsel paste, op aarde verscheen en met mensen wilde leven om hen te verlossen van de dodelijke plaag die het menselijk ras door Adams zonde werd aangedaan. Van wie, zo niet van de Schepper Zelf, vertel me dan, zou het eerwaardige schepsel, dat wil zeggen het menselijk ras, genezing en vernieuwing moeten verwachten? Heeft David niet voorspeld: "Hij zond Zijn Woord uit en genas hen" (Psalm 107: 20). Daarom kwam het Woord van de Vader, God de Zoon, en genas de menselijke natuur. Hoe had het Woord van de Vader de mens kunnen genezen als hij zich niet door incarnatie met de mens had verenigd en zich als een genezende pleister op een persoon had aangebracht? Brengt een arts, die een gewonde wil genezen, een pleister op een boom of steen aan, en niet op een zieke? Daarom bracht God Zijn Eniggeboren Woord ook aan, als een pleister, niet op een boom, hoewel Het eerder ook tussen de bomen in het struikgewas verscheen, niet op een steen, hoewel Het ten tijde van Mozes en Elia zichtbaar was in de stenen bergen van Sinaï en Horeb., maar op de mens die gegrepen is door een zondige ziekte. De verbinding werd onlosmakelijk verbonden, want de Heer woonde graag in een zuivere maagd, en niet alleen maar de schoot van een vrouw, zoals Jesaja hierover profeteerde: 'Zie, de Maagd in haar schoot zal ontvangen en een zoon baren, en hij zal Emmanuel worden genoemd, wat betekent: God met ons” (Jes. 7:14). Hier zegt de profeet duidelijk dat God de Zoon op aarde geboren zal worden uit een zuivere en ongehuwde Maagd. En dat het voor God mogelijk was om in de baarmoeder van een meisje te gaan wonen voor onze redding, herinnert u wat er in uw boeken staat. Uw rabbijn Achilles zegt: “Verschijn ons niet meer in de donder van de steen en niet in het geluid van een bazuin, o erbarmelijke Heer, maar woon in onze schoot, neem onze zonden weg.” Als Mozes tot God bad om in onze schoot te wonen, waarom berispt u dan ons, die beweren dat God in de baarmoeder van een vrouw heeft gewoond, en niet zomaar van een vrouw, maar van een reine, ongeschonden en ongehuwde Maagd? Hij woont ook in onze schoot als wij, christenen, deelnemen aan het mystieke offer. Zoals u kunt zien, is het oude gebed van Mozes, opgetekend in uw boeken volgens het getuigenis van rabbi Achilles, uitgekomen: God kwam onze baarmoeder binnen en nam onze zonden weg.

Na het banket vertrok iedereen naar huis en stelde een dag vast waarop ze weer over geloof zouden praten."

 

[1] Op Olympus begon de zalige Constantijn voor het eerst de Slavische taal te studeren. De omgeving begunstigde hem daarin. In de kloosters die op de berg waren, waren er veel Slavische monniken uit verschillende buurlanden, en daarom kon Constantijn hier een constante praktijk ter beschikking, wat vooral belangrijk voor hem was, aangezien hij bijna van kinds af aan de hele tijd in de Griekse omgeving doorbracht. Het feit dat de heilige broers hier de Slavische taal bestudeerden, blijkt uit het getuigenis van een Bulgaarse Slavische monnik, Khrabr.

[2] De Khazáren, die de Grieken zo noemden, stonden bekend onder de algemene naam van de Scythen. Ze spraken Slavisch en woonden in de buurt van het Meotiaanse of Dode meer (tegenwoordig de zee van Azov), waarin de rivier Don stroomt, die het Europa van Azië scheidde in de oudheid. Aanvankelijk woonde de stam van Jafeths eerste zoon Gomer in dit land, de Cimmeriërs genaamd, in het Grieks de Kimmeriërs. Toen de Cimmeriërs vertrokken waren naar de middernachtlanden (in het noorden) en zich vermengd hadden met verschillende volkeren, noemend zichzelf Litouwen, Goten enz., kwam in hun plaats nabij het meer van Azov één van de Scythische stammen van Turkse oorsprong genaamd de Alanen (van de Alanische bergen), die later de naam Khazaren kregen (van een rivier). Deze stam vermenigvuldigde zich enorm en begon beide oevers van de Don-rivier te bewonen: in Azië - tot aan de Wolga, die uitmondt in de Kaspische zee, in Europa - tot aan de Dnjepr, die uitmondt in de Zwarte zee, en zelfs verder richting Pannonia, waar ze met verschillende namen genoemd werden: Avaren, Hunnen enz. Khazaren hadden een grove moraal en zagen er lelijk uit. Ze leefden, als een nomadisch volk, in tenten, van plek naar plek. Ze aten meer groenten en halfbakken vlees dan brood, in de oorlog waren ze erg dapper en angstaanjagend voor iedereen. De heerser van Khazaren werd "kagan" (khagan of khayan) genoem. Er zijn veel aanwijzingen van de dapperheid van dit volk van de Griekse en Romeinse kroniekschrijvers. De Khazaren veroorzaakten veel leed in Constantinopel tijdens het bewind van Heraclius, in het patriarchaat van Sergius, toen ze op wonderbaarlijke wijze werden verslagen door de onoverwinnelijke macht van God op voorsprak van de Moeder Gods Maria, die Haar stad verdedigde tegen de nare Khazaren en de Perzen die met hen verenigd waren, zoals deze gebeurtenis uitvoerig wordt beschreven in Sinaxarion van de 5e zaterdag van de Grote vasten. Lang later trouwde de Griekse koning Leo de Isauriër, - die in vrede met de Khazaren wilde leven, - zijn zoon Constantijn (Copronymus) met de dochter van de Khazaarse Khagan, die na haar doop Irina werd genoemd. Ze kregen een zoon, Leo, die vanwege zijn moeder Khazaris werd genoemd (deze Leo had een vrouw, Irina, die na de dood van haar man de orthodoxie herstelde en de iconoclastische ketterij op de VII Oecumenische Concilie verwierp). Na dit huwelijk begonnen de Grieken in vrede te leven met de Khazaren, en de laatsten begonnen kennis te maken met het christelijk geloof. Het christendom begon zich onder de Khazaren te verspreiden voornamelijk vanuit de Chersonieten (Chersónissos was een Griekse kolonie in het zuiden van Krim, tegenwoordig de Oekraïense stad Chersón) maar vooral dankzij de verlichters Constantijn en Methodius. Khazaren namen een lange tijd de belasting van de Russische Slaven: van elk huis een eekhoornvel en van elke boerderij een schilling (een zekere geldbedrag). Deze inning van belasting werd gestopt door de leiders van Scandinavische afkomst Askóld en Dir, die de stammen van Radímitjen en Severjánen wegnamen van de Khazaren. De (Europese) Khazaren werden uiteindelijk vernietigd door Svyatoslév, de vader van de grootvorst Vladimir, die hun stad Bélaya Vézha innam en hen een belasting oplegde, de Aziatische Khazaren (die tussen de Don en de Wolga woonden) werden veroverd door de Koemánen en Petjenégen.

[3] Ignatius was regeerde als patriarch van 847 tot 857; dan een tweede keer van 867 tot 877.

[4] De gedachtenis van de heilige Methodius wordt gevierd op 23 oktober.

[5] Oorspronkelijke Griekse naam: Sevastópolis

[6] Khazaren assimileerden zich met hun Slavische omgeving en spraken daarom Slavisch.

[7] De invloed van de joden was hier zo sterk dat zelfs de dynastie van de Khazaarse kagans met heel hun hof, -d.w.z. de hoogste klasse van de Khazaarse samenleving, - nam het judaïsme aan.

[8] Zijn gedachtenis is op 25 november.

[9] Trajanus regeerde van 98 tot 117.

[10] Een stadium is een onnauwkeurige lengte van 1000 stappen; waarbij elke stap een lengte heeft van 5 voeten.

[11] Nicephorus I regeerde van 802 tot 811.

[12] Geest en adem worden beide als “Pnévma” vertaald in de Griekse Bijbelvertaling (Septuaginta) in dit geval.

[13] Athanasius de Grote, Basilius de Grote, Gregorius van Nyssa.

bewerkt door Modestus
Link naar bericht
Deel via andere websites
Op 24-5-2021 om 16:44 zei Modestus:

Maar Constantijn bleef niet lang in Constantinopel. Al snel ging hij naar een stille en afgelegen plek, waar hij zich alleen voor zijn eigen redding werkte. Hij nam geen voedsel mee, maar in dit geval vestigde hij al zijn hoop op de voorzienigheid van God, die hem door Christus-beminnende mensen met voedsel voorzag. Van het gekregen voedsel liet Constantijn niets over voor de volgende dag, maar na de gebruikelijke maaltijd verdeelde hij al de rest onder de armen, vertrouwend op God, die Zijn gulle hand opent en alle levende wezens voedt met Zijn goedheid.

Eens had Constantijn geen enkele voedsel op de dag vóór een grote feestdag, waarover zijn knecht hevig begon te treuren. De zalige Constantijn zei tegen hem:

- Zal Hij die eens jarenlang de Israëlieten in de woestijn voedde, ons op deze grote dag niet voeden? Ga en roep minstens vijf bedelaars voor ons diner en we zullen wachten op Gods genade, want Hij zal ons niet verlaten.

Zo is het inderdaad gebeurd. Tijdens de lunch kwam er een man en bracht veel voedsel van allerlei soort en tien gouden munten. De gezegende nam dit aan en loofde God, zijn Voeder

Dat hebben de honderden baby's die dagelijks dood gaan door honger niet veel aan. 

Link naar bericht
Deel via andere websites
20 minuten geleden zei Dat beloof ik:

Dat hebben de honderden baby's die dagelijks dood gaan door honger niet veel aan. 

Zacht uitgedrukt, en dan spreken we nog niet over de gefolterde lichamen van miljoenen in de schaduw van gewaande tekorten, door het denken bedacht. 

Link naar bericht
Deel via andere websites

images?q=tbn:ANd9GcSrCCnzIWTGJY5fpEkN3kF

Op de afgesproken dag verzamelde iedereen zich en ging, op uitnodiging van de kagan, op de aangewezen plaatsen zitten. Constantijn maakte de volgende inleiding op het gesprek:

- Hier ben ik de enige vreemdeling onder jullie, en we hebben het allemaal over God, in wiens handen alles is en onze harten. Als we praten, laat degene van jullie die sterk is in woorden, als hij het begrijpt, onze woorden bevestigen, en als hij het niet begrijpt, laat hem dan opnieuw vragen en we zullen proberen het te verduidelijken.

De joden begonnen het gesprek met de volgende vraag:

- Vertel ons: welke wet gaf God eerst: die van Mozes, of diegene die jullie, christenen, onderhouden?

- Is dat niet daarom, - antwoordde de zalige Constantijn, - dat u mij vroeg welke wet de eerste is, zodat u later kunt zeggen dat de eerste de beste is?

- Ja, - antwoordden de joden. - En daarom moet men de eerste wet gehoorzamen, als de belangrijkste en de beste.

- Als u alleen de eerste wet wilt vervullen, geef dan de besnijdenis op, - zei Constantijn tegen de Joden.

- Waarom zeg je dat? - vroegen de joden.

- Vertel me eens echt, - zei Constantijn tegen de joden, - werd de eerste wet gegeven in besnijdenis of niet-besnijdenis?

- Wij denken, - antwoordden de Joden, - dat in de besnijdenis.

- Was het niet Noah, - zei Constantijn, - aan wie God de eerste wet gegeven had? En dit geschiedde vóór de besnijdenis en na het gebod dat in het paradijs aan Adam werd gegeven na zijn val. God gebood aan Noah dat niemands bloed vergoten mag worden: "wie menselijk bloed vergiet, zijn bloed zal vergoten worden" (Genesis 9: 6). Daarna, sprekend over het eten van gewas van het veld, dieren, vee, vogels en vissen, zei God tegen Noah: “Ik sluit mijn verbond met u en met uw nageslacht na u” (Genesis 9: 9).

- Maar het verbond is geen wet, - zeiden de Joden. - God zei niet tegen Noah: ‘Mijn wet’, maar ‘Mijn verbond’. We hebben het over de wet.

- Neemt u besnijdenis in acht als een wet of niet? - vroeg Constantijn.

- We houden het als een wet, - antwoordden de joden.

- Besnijdenis, - vervolgde Constantijn, - noemde God ook geen wet, maar alleen een verbond, toen hij tegen Abraham zei: (Genesis 17:9-13) “U moet Mijn verbond in acht nemen, u en uw nageslacht na u, al hun generaties door. Dit is Mijn verbond dat u moet houden tussen Mij en u en uw nageslacht na u: al wie mannelijk is bij u moet besneden worden. U moet het vlees van uw voorhuid laten besnijden en dat zal een teken zijn van het verbond tussen Mij en u. Zo zal Mijn verbond in uw vlees tot een eeuwig verbond zijn.” Kijk, zei Constantijn, God noemde de besnijdenis nooit een wet, maar een verbond. Wilt u besnijdenis daarom afwijzen als illegaal? Als u het verbond van de besnijdenis als een wet onderhoudt, dan moet het verbond dat aan Noah gegeven is als een wet worden nageleefd en moet hij de eerste wet genoemd worden, die God aan het menselijk ras gaf, dat uit het paradijs verdreven en gered werd van de vloedwateren.

- Nee, - antwoordden de Joden. - Alleen de wet die aan Mozes is gegeven, is de enige wet, en die leven we na.

- Als het verbond dat aan Noah is gegeven, - zei Constantijn, - geen wet is, maar alleen een verbond, omdat God het geen wet noemde, maar een verbond, dan is de aan Mozes gegeven wet ook geen wet, omdat God in hoofdstuk 11 van het boek van de profeet Jeremia noemde het ook geen wet, maar een verbond: (Jeremia 11:2) “Luister naar de woorden van dit… Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Vervloekt is de man die niet luistert naar de woorden van dit verbond, dat Ik uw vaderen geboden heb op de dag dat Ik hen geleid heb uit het land Egypte”. Als dit verbond voor u een wet is, dan is het verbond dat aan Noah is gegeven ook een wet. En aangezien de wet van Noah vóór de besnijdenis werd gegeven, moet u deze als de eerste in acht nemen en niet luisteren naar andere wetten die na hem waren, namelijk die van Abraham en Mozes. U hebt immers zelf gezegd dat de eerste wet de beste is en moet worden nageleefd.

De Joden ontweken toen deze vraag, en begonnen over iets anders te praten en zeiden:

- Wie zich aan de wet van Mozes hield, behaagde God. Daarom hopen we door het in acht te nemen ook God te behagen. Jullie houden zich aan de nieuwe wet, die u zelf hebt uitgevonden, en u veracht de oude wet.

- Nu we de nieuwe wet hebben aangenomen, - antwoordde de filosoof, - hebben we het goed gedaan. Want als Abraham de besnijdenis niet had ondergaan, maar alleen het verbond van Noah naleefde, zou hij geen vriend van God genoemd worden. Evenzo schreef Mozes, - die niet tevreden was met de wetten die aan Noah en Abraham waren gegeven, - een nieuwe wet na Abraham. Wij volgen hun voorbeeld. Maar net zoals zij, elkaar opvolgend, de voorgaande wetten niet verwierpen, - Abraham verwierp Noahs wet niet, en Mozes verwierp de beiden niet, - maar goedmakend wat er ontbrak, legde hij in uitgebreidere wetten de meer volmaakte wil van God vast, zodat het gebod van de Here vast bleef staan; zo ook wij verwerpen het oude verbond niet, dat geschreven is op de tabletten van Mozes, maar behouden dit alles om de Ene God te kennen, de Schepper van de hele schepping, en ook: niet doden, niet stelen en andere geboden. We blijven alleen weg van alles wat niet op de Mozaïsche tabletten staat, bijvoorbeeld: besnijdenis, opofferingen van dieren en dergelijke. Ze waren slechts een schaduw en prefiguratie van de nieuwe wet die komen zou, en daarom moesten ze met de komst ervan worden nagelaten. Wat is de noodzaak om zich aan de schaduw te houden, als we het ding zelf in onze handen hebben?

- Als wat u zegt over het oude verbond, - sprake de joden tegen, - de instellingen en verbonden, behalve de tafelen van Mozes, slechts een schaduw en prefiguratie waren van uw nieuwe verbond, dan zouden de oude wetgevers dit geweten  hebben en zouden hebben gezegd over uw nieuwe wet, die in de toekomende tijd zou zijn. Schaduw en prefiguratie moeten immers datgene afbakenen wat men verwacht met de ogen te zullen zien. De wetgevers verwachtten uw wet echter niet, en daarom zijn alle oudtestamentische decreten en verbonden, net zoals de Mozaïsche tabletten, geen schaduw en prefiguratie, maar de waarheid (de ding zelf) dat u moet als waarheid onderhouden, net zoals wat er op de Mozaïsche tabletten staat.

ten-commandments.jpg

Hiertegen antwoordde de filosoof als volgt:

- Als de oude wetgevers, die in het Oude Testament waren, niet wisten dat er na hun wet een nieuwe wet zou komen, dan zou ik u gevraagd hebben: toen God in het begin Noah het verbond gaf, waar we het eerder over spraken, heeft Hij hem ook verteld dat Hij een ander wet zou geven aan zijn dienaar Abraham na hem? Natuurlijk niet! Maar hij zou het eerste verbond bekrachtigen als zijnde voor eeuwige generaties. Verkondigde Hij ook Abraham toen Hij hem het verbond gaf dat Hij later een andere wet aan Mozes zou geven? Over ons nieuwe verbond kondigde hij in detail aan via zijn heilige profeten. Luister dus naar Jeremia die spreekt: (Jeremia 31:31-32) “Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten, niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden – Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ík hen getrouwd had, spreekt de HEERE”. U ziet hier een bekende profetie over ons nieuwe verbond. Evenzo voorspelde de profeet Jesaja namens de Heer over het nieuwe verbond, zeggende: (Jesaja 43:18-19) “Denk niet aan de dingen van vroeger, let niet op de dingen van het verleden. Zie, Ik maak iets nieuws.” Dus de oude wetgevers wisten van de nieuwe wet van genade, wachtten erop en profeteerden erover. Daarom zijn uw oudtestamentische instellingen en verbonden een schaduw en een schijn van onze verwachte wet, en niet de waarheid zelf, en daarom moeten ze als onnodige worden verworpen.

- Elke Jood erkent de waarheid toe dat er een nieuwe wet zal zijn, - zeiden de Joden, - maar de tijd is nog niet gekomen voor de Gezalfde te verschijnen.

- Waar wacht u nog op? - antwoordde Constantijn. - Is de macht van uw koninkrijk en uw heerschappij, - die volgens de profetie van de voorvader Jakob slechts zou moeten bestaan tot aan de komst van Christus de Messias, - niet opgehouden? Is Jeruzalem niet verwoest? Zijn de offers niet afgewezen? Is de heerlijkheid van de Heere niet overgegaan van u naar de heidenen, zoals de profeet Maleachi duidelijk voorspelde, zeggende: (Maleachi 1:10-11) “Ik heb geen welgevallen in u, zegt de HEERE van de legermachten, en een graanoffer uit uw hand aanvaard Ik niet. Want vanwaar de zon opkomt tot waar hij ondergaat, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenvolken; in elke plaats zal aan Mijn Naam een reukoffer gebracht worden, en een rein graanoffer. Voorzeker, Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenvolken, zegt de HEERE van de legermachten.”

- We begrijpen deze plaats aldus, - antwoordden de Joden, - dat de heidenen door ons gezegend zullen worden, zoals wij gezegend zijn als het zaad van Abraham. Zij zullen besneden worden in de stad Jeruzalem.

- Door Wie het zaad van Abraham wordt gezegend, - antwoordde Constantijn, - door Diegene worden ook wij gezegend, namelijk door de Messias, de afstammeling van Abraham, Isaäk, Jacob, Isaï en David. God zei tenslotte tegen Abraham: "alle geslachten van de aarde zullen in u gezegend worden" (Genesis 12: 3), en tegen Isaak: "In uw zaad zullen alle volken van de aarde gezegend worden" (Genesis 26: 4) en hetzelfde is gezegd aan Jacob (Genesis 28:14); David zegt: (Psalm 72:17) “Zij zullen in Hem gezegend worden; alle heidenvolken zullen Hem gelukkig prijzen.” En dat de Messias moest komen zowel ter wille van de stam van Abraham als ter wille van de redding van de heidenen, hierover zei eens Jacob, toen hij Judas zegende, dit: (Genesis 49:10) “De scepter zal van Juda niet wijken en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten, totdat de Verzoener komt, en Hem zullen de volken gehoorzamen.” En de profeet Zacharias, die aan de dochter van Sion – het Jeruzalem, de komst van de zachtmoedige koning aankondigde, zittend op een ezel en een veulen, zegt: (Zacharia 9:10) “Ik zal de strijdwagens uit Efraïm wegnemen, en de paarden uit Jeruzalem. De strijdboog zal weggenomen worden. Hij zal vrede verkondigen aan de heidenvolken.” Zie je, niet alleen omwille van jullie, Joden, maar ook omwille van de heidenen, moest de Messias komen. Het lijkt mij dat Hij meer omwille van de heidenen kwam dan omwille van u, want u hebt Hem niet aangenomen, de heidenen hebben Hem wel aangenomen, u hebt Hem gedood, de heidenen hebben in Hem geloofd, u hebt Hem afgewezen, de heidenen hebben Hem liefgehad; daarom heeft Hij ook u verworpen, maar Hij heeft de heidenen geroepen en is in hen verheerlijkt. En dat de werkelijk verwachte Messias al gekomen is, daar kun je door de heilige profeet Daniël van overtuigd worden. De engel van de Heere Gabriël verscheen aan deze profeet in Babylon, in het eerste jaar van de regering van Darius, en vanaf die tijd tot aan de komst in de wereld van de Messias stelde hij 70 jaarweken vast. Elke jaarweek bevat 7 jaar, en alle - 490 jaar. Uw Talmoed denkt er ook zo over. Hoe lang geleden zijn deze jaren voorbijgegaan? Als u terugkijkt, dan zult u zien dat er meer dan 800 jaar zijn verstreken sinds de jaarweken, die aan Daniël waren voorzegd, werden vervuld (Daniël 2:1-49).

Daniels-seventy-weeks-chart.png

- Ik zal u ook vragen, - zei Constantijn, - wat denkt u dat het koninkrijk van ijzer voorstelde, waarover Daniël tot Nebukadnezar sprak toen hij hem de droom over het grote afgodsbeeld uitlegde?

- Het ijzeren koninkrijk betekende het Romeinse, - antwoordden de Joden.

- En naar wie, - vroeg de filosoof, - verwijst de steen die zonder mensenhanden van de berg werd weggerukt en dat afgodsbeeld verpletterde?

- De steen betekent de Messias, - antwoordden de Joden en voegden eraan toe: Als, volgens de overleveringen van de profeten en andere gebeurtenissen, zoals u zegt, de Messias al gekomen is, waarom heeft het Romeinse koninkrijk dan nog steeds macht?

- Nee, - antwoordde de filosoof, - hij heeft geen macht meer, maar is voorbij gegaan, zoals andere koninkrijken. Ons koninkrijk is niet Romeins, maar dat van Christus, zoals de profeet zei: “de Hemelse God zal een koninkrijk doen opstaan, dat nooit zal worden vernietigd, en dit koninkrijk zal niet aan een ander volk worden overgedragen; het zal alle koninkrijken verpletteren en vernietigen, maar het zal zelf voor eeuwig standhouden” (Dan. 2:44). Is dit niet een christelijk koninkrijk, zo genoemd naar Christus? De Romeinen dienden afgoden, en dezen, de christenen, - deels bestaande uit dit volk (Grieken), deels uit andere stammen en naties, - regeren in de naam van Christus, zoals de profeet Jesaja het beschrijft, zeggende: (Jesaja 65:15-16) U zult uw naam voor Mijn uitverkorenen achterlaten als een vloekwoord en de Heere HEERE zal u doden, maar Zijn dienaren zal Hij noemen met een andere naam, zodat wie zich zegenen zal op aarde, zich zal zegenen in de God van de waarheid, en wie zweren zal op aarde, zal zweren bij de God van de waarheid.” Zijn niet alle profetieën over Christus in vervulling gegaan? Jesaja voorspelde zijn geboorte uit een maagd door te zeggen: "Zie, de maagd zal zwanger worden in haar schoot en een zoon baren, en zij zullen hem de naam Emmanuël geven" (Jes. 7:14). En de heilige profeet Micha zegt over zijn geboorte in Bethlehem: (Micha 5:1-2) “En u, Bethlehem-Efratha, al bent u klein om te zijn onder de duizenden van Juda, uit u zal Mij voortkomen Die een Heerser zal zijn in Israël. Zijn oorsprongen zijn van oudsher, van eeuwige dagen af. Daarom zal Hij hen overgeven tot de tijd dat zij die baren zal, gebaard heeft.”

- Wij, - zeiden de Joden, - zijn de gezegende nakomelingen van Shem, die een zegen ontving van zijn vader, Noah. Jullie hebben integendeel de zegen niet ontvangen.

- Noahs zegen van Shem heeft niets met u te maken, - zei Constantijn, - maar het is alleen de verheerlijking van God, want Noah zei: "Gezegend is de Heere God van Shem" (Genesis 9:26). Hier wordt de Here God gezegend door de mond van Noah ter wille van de deugdzame Shem en niets meer. Maar tot Jafeth, van wie we afstammen, zei Noah: 'Moge de Heere God Jafeth uitbreiden; en laat hij wonen in de tenten van Shem” (Genesis 9:27). U kunt zelf zien hoe het christendom zich door Gods genade verspreidt en hoe u steeds meer aan betekenis verliest. Zelfs daar waar u ooit woonde, wordt de naam van onze Heer Jezus Christus nu gezegend en verheerlijkt door christenen.

- Jullie, - zeiden de Joden, - vertrouwend op een mens, menen gezegend te zijn, terwijl de boeken zulke mensen vervloeken.

Hierop stelde de filosoof de Joden de volgende vraag:

- Is David vervloekt of gezegend?

- Zeer gezegend, - antwoordden de Joden.

- Dus, - zei Constantijn, - wij zijn ook gezegend, omdat we vertrouwen op Hem op wie hij ook vertrouwde toen hij in de psalm zei: "de man van mijn vrede, op wie ik vertrouwde” (Ps. 41:10). Deze Man is Christus God. Degene die op een gewone man zijn hoop stelt, beschouwen wij ook als vervloekte.

De joden stelden toen nog een vraag:

- Waarom verwerpen jullie, christenen, de besnijdenis, terwijl Christus het niet verwierp, maar het volgens de wet vervulde?

De filosoof antwoordde:

- Diegene die als eerste tegen Abraham zei “het zal een teken zijn tussen mij en jou”, kwam en vervulde het (besnijdenis), daarom werd het onderhouden vanaf Abraham tot aan de Christus. In plaats van de besnijdenis stelde Christus de doop in.

Toen zeiden de Joden:

- Waarom sommigen behaagden God zonder dit teken (doop) te hebben ontvangen, maar dat van Abraham (besnijdenis)?

- Geen van hen, - antwoordde de filosoof, - had twee vrouwen, behalve Abraham. Daarom gaf God hem de besnijdenis om een grens te stellen om niet verder te gaan, maar om te leven naar het eerste voorbeeld van Adams leven (om één vrouw te hebben). En hij gaf een soortgelijke instructie aan Jacob toen hij zijn been beschadigde omdat hij twee vrouwen had. Toen Jacob de schuld begreep, waarom dit hem werd aangedaan, kreeg hij de naam "Israël", dat wil zeggen, hij die met de geest God ziet. Abraham begreep dit niet.

- Wat denkt u, - stelden de Joden een nieuwe vraag, - terwijl je buigt voor afgoden, denk je dat je God behaagt?

- Allereerst, - antwoordde de filosoof, - leer onderscheid te maken tussen namen, wat een icoon is en wat een afgod, en dan zul je zien dat u tegen de christenen ten onrechte verwijten maakt. Er is veel aanwijzing naar de afbeeldingen in uw boeken. Ik zal u over enkele daarvan vragen: Maakte Mozes de tabernakel naar het beeld dat hij op de berg zag of naar het kunstbeeld dat hij zich voorstelde bouwde hij de tabernakel van hout, leer, wol en waardige cherubs? Maar aangezien het eerste waar is, zullen we dan ook over u zeggen dat u eert en neerbuigt voor hout, huid en wol, en niet voor God, die aan Mozes te zijner tijd zo'n beeld van de tabernakel heeft gegeven? Ik zal hetzelfde zeggen over de tempel van Salomo, waarin veel afbeeldingen van cherubs, engelen en anderen waren. Evenzo wij, christenen, die door de ritus degenen die God behaagden eren, geven alle eer aan God.

three-items-in-the-holy-of-the-tabernacl

- Waarom eet u varkensvlees en haasvlees, - zeiden de Joden, - als het in strijd is met God?

- Het eerste verbond (van Noah), - zei de filosoof, - verordende: (Genesis 9:3) “Alles wat zich beweegt, waarin leven is, zal u tot voedsel dienen; Ik heb het u allemaal gegeven, evenals het groene gewas,” want voor de reinen is alles rein, maar bij de verontreinigden is het geweten onrein. Evenzo zegt God over alles wat geschapen is: "alles is zeer goed" (Gen. 1:31). Maar vanwege uw vraatzucht en om uw te onderrichten, heeft God de meest onbeduidende dingen van u weggenomen. En hoe slecht de vraatzucht voor jullie is, staat er geschreven: “u bent vet, u bent dik, u bent vetgemest – toen verliet hij God, Die hem gemaakt heeft, hij versmaadde de Rots van zijn heil” (Deut. 32:15), of “Het volk ging daarna zitten om te eten en te drinken; vervolgens stonden zij op om uitbundig feest te vieren" (Ex. 32: 6).

b7d6019c79e803d1d16ce4fa7fe93e79.jpg Joden

 

De gezegende filosoof Constantijn voerde zulke gesprekken met de joden over het christelijk geloof. Deze gesprekken vonden dagelijks plaats in het bijzijn van de kagan zelf en duurden vrij lang. Ze werden vervolgens opgeschreven door de gezegende Methodius en verdeeld in acht delen, waarvan er hier maar heel weinig zijn gepresenteerd.

De gezegende Constantijn voerde niet alleen gesprekken met de Joden, maar ook met de Saracenen, die hij ook terechtwees met de hulp van onze Heere, die beloofde aan Zijn dienaren “de mond en wijsheid geven die al uw tegenstanders niet zullen kunnen weerspreken of weerstaan” (Lukas 21:15).

Toen de kagan en zijn belangrijkste adviseurs zulke lieve en toepasselijke woorden van het geloof van Christus hoorden, zeiden ze tot Constantijn:

- God heeft je naar ons toegestuurd voor ons onderricht. Van Hem leerde je boeken, sprak je alles correct en voedde je ons met de honingzoete woorden van de heilige boeken. Hoewel we ongeleerde mensen zijn, geloven we nog steeds dat deze leer van God komt. Als je onze ziel definitief wilt kalmeren, vertel ons dan niet alleen uit boeken, maar ook door vergelijkingen (parabels) over alles wat we je over het geloof zullen vragen.

Daarna ging iedereen heen om uit te rusten.

viewImage.jpg  Cyrillus en Methodius

bewerkt door Modestus
Link naar bericht
Deel via andere websites
8 uur geleden zei Modestus:

Op de afgesproken dag verzamelde iedereen zich en ging, op uitnodiging van de kagan, op de aangewezen plaatsen zitten. Constantijn maakte de volgende inleiding op het gesprek:

Wat heeft deze hele post nog met het onderwerp te maken? 

Link naar bericht
Deel via andere websites
13 uur geleden zei Dat beloof ik:

Wat heeft deze hele post nog met het onderwerp te maken? 

De moslims hebben dezelfde kritiek tegen het christendom (waarom eten jullie varkensvlees? waarom besnijden jullie zich niet? waarom buigen jullie voor "afgoden"? etc.). Hier worden wijze antwoorden daarop gegeven. 

 

"De volgende dag kwamen ze weer bijeen en zeiden tegen Constantijn:

- Bewijs ons, eerwaarde man, door redenering en vergelijkingen, welk geloof is het beste?

- Eén koning, - antwoordde de filosoof, - had een man en vrouw in grote eer bij zich. Toen zij zondigden, verdreef Hij hen uit het land waar zij leefden (uit het paradijs). Ze woonden vele jaren daarna en baarden kinderen in armoede. Toen ze samenkwamen dachten de kinderen na over hoe ze de waardigheid van hun ouders konden herwinnen. De één zei dit, de ander zei dat, ieder gaf zijn raad, die naar zijn mening opgevolgd moest worden. Welk van deze raden moest worden nagevolgd? Is het niet de beste?

- Waarom zeg je dat? - antwoordden de Khazaren. – Ieder van hen ziet zijn raad beter dan die van een andere. Vertel je het ons zodat we begrijpen welke van deze tips de beste is?

- Vuur, - antwoordde de filosoof, - zuivert goud en zilver, maar de mens onderscheidt met zijn verstand leugen van waarheid. Vertel me waarom er de eerste val was: was het niet uit het aanschouwen van zoete vruchten en het verlangen om goden te zijn?

- Zo is het, - antwoordden de Khazaren.

De filosoof vervolgde:

- Als honing of ijskoud water schadelijk is voor een patiënt, welke arts zal dan het beste advies geven; degene die zegt tegen iemand voor wie de honing schadelijk is – eet honing en tegen iemand voor wie koud water schadelijk is – drink koud water en ga naakt in de kou staan, of degene die voorzichtig het tegenovergestelde medicijn zal geven: in plaats van honing - bittere drank, in plaats van koud water – warm, verwarmende water?

- Natuurlijk, - zei iedereen, - wie het tegenovergestelde medicijn geeft, zal het beste advies geven. Evenzo moet zondige lust worden verootmoedigd door de bitterheid van het leven en hoogmoed door nederigheid – en in het algemeen moet het tegenovergestelde worden genezen door het tegenovergestelde. We merken dat als een bessenstruik in de lente in stekelige naalden staat, hij in de herfst goede, zoete vruchten geeft.

- U zei het juist, - antwoordde Constantijn. - En de wet van Christus zegt dat leven naar God betekent een hard leven leiden (het nauwe pad volgen), dat in het eeuwige leven de vrucht honderdvoudig zal doen toenemen.

Daarna vroeg één van de belangrijkste adviseurs van de kagan, - die de slechte leer van Mohammed goed kende, - aan de filosoof:

- Vertel me, gast, waarom eer je Mohammed niet? Hij prees immers Christus enorm in zijn boeken en sprak over Hem: uit de Maagd, de zuster van Mozes, werd een grote profeet geboren, die de doden opwekte en met grote kracht elke ziekte genas.

- Laat de kagan ons beoordelen, - zei de filosoof. - Vertel me, als Mohammed een profeet is, zullen we dan Daniël geloven, die zei dat met Christus elke visioen en profetie zal beëindigd worden? Hoe kan hij dan een profeet zijn? Daarom, als we Mohammed een profeet noemen, dan verwerpen we Daniël.

Hierop zeiden velen van de aanwezigen:

- We weten dat Daniël profeteerde door Gods Geest, maar over Mohammed weten we dat hij een leugenaar is en de verderver van de redding van velen.

Toen wendde de eerste adviseur van de kagan zich tot de Joden en zei:

- Met Gods hulp wierp de gast alle Saraceense trots op de grond, en de uwe wierp hij eruit als een schuinheid.

Daarna richtte hij zich tot alle aanwezigen en zei:

- God gaf volmaakte wijsheid en macht over alle naties aan de christelijke koning; hun geloof is het beste en daarbuiten kan men het eeuwige leven niet bereiken.

Iedereen zei:

- Amen.

Daarna wendde de filosoof zich met tranen in zijn ogen tot iedereen en zei:

- Broeders, vaders, vrienden en kinderen! Hier hebben we, met de hulp van God, alles met waardigheid uitgelegd en beantwoord. Als zelfs nu iemand van jullie iets niet begrijpt, laat hem dan komen en mij erover vragen. Wie naar deze leer luistert, laat hij zich dopen in de naam van de Heilige Drie-eenheid, en wie niet luistert, dan wil ik daarin geen zonde hebben, hij zal zijn zonde zelf zien op de Dag des Oordeels, wanneer de Rechter, de Oude van Dagen, zal gaan zitten om alle volken te oordelen.

Hierop antwoordden de Khazaren en de kagan:

- Wij zijn geen vijanden van onszelf, en daarom besluiten wij: wie wil en kan, laat hij voortaan na overweging overgaan tot de doop. En wie naar het westen buigt (heidenen), of Joodse gebeden verricht (Joden), of het Saraceense geloof handhaaft (Mohammedanen), zal spoedig sterven.

Na zo'n beslissing te hebben genomen, ging iedereen met vreugde uiteen. 200 Khazaarse mannen verlieten afgodische gruwelen en wetteloze samenwoningen en aanvaardden het christelijk geloof.

Nadat ze het christelijk geloof in het Khazaarse koninkrijk hadden ingeplant, besloten de eerwaarde leraren Constantijn en Methodius terug te keren naar hun land. Bij de Khazaren lieten ze de priesters achter die met hen uit Chersonissos waren meegekomen. De kagan droeg de heilige broeders op om de volgende brief aan de Griekse koning over te brengen: “Mijnheer! U stuurde ons zo'n man die ons het christelijk geloof verkondigde en de Heilige Drie-eenheid predikte. Door hem leerden we dat dit geloof het ware geloof is en geboden aan iedereen die wil de heilige doop ongehinderd te aanvaarden, in de hoop het zelf te ontvangen. Wij zijn allemaal vrienden en metgezellen van uw Koninkrijk en, als u dat wilt, staan we klaar om u van dienst te zijn."

Toen de kagan de heilige broeders afzag, bood hij hen veel geschenken aan, maar ze weigerden en zeiden: "Laat alle Griekse krijgsgevangenen die hier zijn met ons meegaan - dit zal het beste geschenk voor ons zijn."

Meer dan 200 krijgsgevangenen verzamelden zich en ze vertrokken allemaal met vreugde."

10671_900.jpg

bewerkt door Modestus
Link naar bericht
Deel via andere websites

Bedoelde je niet gewoon Joods-Christelijk dispuut in plaats van Islamitisch? 

Dit zal David Wood leuk vinden. Hij vroeg vorig jaar geloof ik om iemand of wie dan ook om bewijs in de Bijbel. 

Wat Ismaël betreft, heb Ik u verhoord. Ik heb hem gezegend en zal hem vruchtbaar maken en hem uitermate talrijk maken: twaalf vorsten zal hij verwekken en Ik zal hem tot een groot volk maken. 

En zo simpel was het om David Wood ongelijk te bewijzen. 

Dat is misschien een moeilijke opdracht wanneer Constantijn zegt dat hij "alles in de thora als waarheid erkent".  Als blijkt dat de Arabische wereld (Islam) dus rechtstreeks gezegend is door de Schepper volgens Genesis. 

bewerkt door leren_schoen
Link naar bericht
Deel via andere websites
  • 6 months later...
Op 2-6-2021 om 22:41 zei leren_schoen:

Als blijkt dat de Arabische wereld (Islam) dus rechtstreeks gezegend is door de Schepper volgens Genesis. 

Je bedoelt waarschijnlijk  dit soort zegen: 

 

maar het stel me niks voor. Ik heb voorkeur voor de zegen van Christus in het hiernamaals, in het eeuwige leven. 😇 

Het vervolg van het verhaal vind je hier:

Uranopolitis presenteert - Geloofsgesprek.nl

 

bewerkt door Modestus
Link naar bericht
Deel via andere websites

Join the conversation

You can post now and register later. If you have an account, sign in now to post with your account.

Gast
Antwoord op deze discussie...

×   Plakken als rijke tekst.   Opmaak herstellen

  Er zijn maximaal 75 emoticons toegestaan.

×   Je link is automatisch geïntegreerd.   In plaats daarvan als link tonen

×   Je voorgaande bijdrage is hersteld.   Tekstverwerker leegmaken

×   Je kunt afbeeldingen niet direct plakken. Upload of voeg afbeeldingen in vanaf URL.

×
×
  • Nieuwe aanmaken...

Belangrijke informatie

We hebben cookies op je apparaat geplaatst om de werking van deze website te verbeteren. Je kunt je cookie-instellingen aanpassen. Anders nemen we aan dat je akkoord gaat. Lees ook onze Gebruiksvoorwaarden en Privacybeleid